**1..** Het college stelt een notitie waarderings- en afschrijvingsbeleid op, welke ter kennisname aan de raad wordt aangeboden. De notitie betreft een nadere uitwerking van onderstaande beleidsregels ten aanzien van waardering en afschrijving vaste activa en van hetgeen hieromtrent geregeld is in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV).
**2..** Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Deze laatst genoemden worden altijd geactiveerd.
**3..** De materiële vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in artikel 35 van het BBV, worden lineair afgeschreven conform de afschrijvingstermijnen zoals opgenomen in de afschrijvingstabel van de notitie waarderings- en afschrijvingsbeleid gemeente Moerdijk. Een uitzondering vormen de materiële vaste activa met economisch nut waar een tarief tegenover staat; deze activa worden bij voorkeur op annuïteitenbasis afgeschreven.
**4..** Onder activa met een meerjarig maatschappelijk nut, zoals bedoeld in artikel 35 van het BBV, worden verstaan investeringen in de openbare ruimte, zoals de aanleg, reconstructie en vervanging van wegen, waterwegen, fietspaden, voetpaden, civiele kunstwerken, verkeerslichtinstallaties, (inrichting) groen en aanleg speelplaatsen.
**5..** Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig maatschappelijk nut worden onder aftrek van bijdragen van derden en bestemmingsreserves ten laste van de exploitatie gebracht. Hiervan kan bij raadsbesluit worden afgeweken. In geval van activering bij raadbesluit wordt het actief lineair afgeschreven over de verwachte levensduur van het actief of een kortere, door de raad aan te geven tijdsduur.
**6..** De raad kan besluiten tot extra afschrijven indien de levensduur van het actief korter blijkt te zijn dan verwacht.
**7..** Tenzij de raad anders bepaalt is het rentepercentage voor de toerekening van de kapitaallasten gelijk aan de renteomslag. De omslagrente voor de rentetoerekening van de kapitaallasten wordt bepaald door het rentetotaal van de uitstaande leningen en de bij begroting vastgestelde gecalculeerde rente over het eigen vermogen en voorzieningen.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf
Artikel 10.