Naar hoofdinhoud
1.. Duurzame gebruiksgoederen zijn alle goederen die een duurzaam karakter hebben als bedoeld in artikel 51 Participatiewet. 2.. Kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige kosten van inrichting behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Voor deze kosten dient vooraf te worden gereserveerd door middel van sparen of achteraf door middel van een geldlening. 3.. Voor zover in deze beleidsregels niet anders is bepaald, bestaat er in beginsel geen recht op bijzondere bijstand voor deze kosten. 4.. In afwijking van het tweede lid geldt voor bijzondere situaties (bijvoorbeeld vergunninghouders) dat voor de eerste inrichting bijzondere bijstand mogelijk is. Als belanghebbende geen of onvoldoende middelen heeft om in de kosten te voorzien en een krediet bij een kredietbank of andere kredietverstrekker niet mogelijk is, wordt bijzondere bijstand in beginsel toegekend in de vorm van een renteloze geldlening als bedoeld in artikel 51 Participatiewet. Hiervoor geldt het volgende: de lening mag niet meer bedragen dan 36 maal 5% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Het meerdere wordt om niet verstrekt; als een belanghebbende (gedeeltelijk) heeft kunnen reserveren dan wordt individueel afgewogen wat dit voor gevolgen heeft voor de geldlening. 5.. Indien er dringende redenen zijn waardoor het niet mogelijk is om een renteloze geldlening te verstrekken, dan kan de bijstand om niet worden verstrekt. 6.. De individuele inkomenstoeslag van de afgelopen 12 maanden wordt voor de reserveringscapaciteit van de duurzame gebruiksgoederen in aanmerking genomen. 7.. Voor de geldlening als bedoeld onder het vierde lid gelden de volgende uitgangspunten: de aflossingscapaciteit wordt vastgesteld op 5 % van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. maandelijks dient de belanghebbende een bedrag gelijk aan 1/36 van de verstrekte geldlening op de lening af te lossen. Indien en zolang de belanghebbende een bijstandsuitkering ontvangt geschiedt dit door inhouding op de bijstand. 8.. Beslaglegging op het inkomen, deelname aan een minnelijke schuldregeling in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wsnp wordt geacht geen belemmering te vormen om te kunnen reserveren. 9.. Indien er sprake is van een minnelijke schuldregeling in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of Wsnp waarbij geen nieuwe schulden gemaakt mogen worden, kan in individuele situaties worden afgeweken van het genoemde in lid 4. Bij een aanvraag om bijstand voor duurzame gebruiksgoederen moet contact opgenomen worden met de bewindvoerder dan wel de klantmanager schuldhulpverlening. Er wordt na overleg leenbijstand verleend onder de voorwaarde dat het schuldhulpverleningstraject goed wordt afgerond. Indien het traject goed wordt afgerond wordt de bijstand omgezet in om niet. 10.. Voor verhuiskosten en inrichtingskosten die geen duurzaam karakter hebben (bijvoorbeeld kosten dubbele huur, verhuisdozen, huur verhuiswagen, verf, behang), gelden de Wmo en een lening bij een kredietverstrekkende instelling als een voorliggende voorziening. Als er geen voorliggende voorziening (mogelijk) is, kan op grond van bijzondere omstandigheden bijzondere bijstand worden verstrekt. In dat geval wordt de bijstand om niet verstrekt. 11.. De hoogte van de te verstrekken bijstand, inclusief de bedragen bij een complete woninginrichting, is opgenomen in de bijlage (normenlijst).

Rechtspraak bij dit artikel