Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Beheersverordening Wetering

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: de beheersverordening 'Wetering' met identificatienummer NL.IMRO.1708.WeteringBVO-VA01 van de gemeente Steenwijkerland. 1.2 beheersverordening: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlage. 1.3 aan- of uitbouw: een aan een (hoofd)gebouw aanwezig bouwwerk dat ruimtelijk ondergeschikt is aan dat (hoofd)gebouw, maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van dat (hoofd)gebouw; 1.4 aan-huis-verbonden beroep: een beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten; 1.5 agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet zijnde een agrarisch nevenbedrijf; 1.6 agrarisch nevenbedrijf: een bedrijf of een naar de aard en omvang daarmee gelijk te stellen activiteit met een grondgebonden of niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering (deze laatste van beperkte omvang), dat ondergeschikt is aan een woon- of bedrijfsfunctie; 1.7 bedrijfsgebouw: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.8 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.9 bestemmingsvlak: een op de kaart aangegeven vlak met eenzelfde bestemming; 1.10 bestemmingsgrens: een op de kaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak; 1.11 bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.12 bijgebouw: een gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw; 1.13 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.14 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.15 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.16 bouwvlak: een op de kaart aangegeven vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten; 1.17 bouwgrens: een op de kaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak; 1.18 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.19 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.20 bebouwingspercentage: een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.21 complementair horecabedrijf: een horecabedrijf dat is gericht op het verstrekken van dranken en etenswaren aan met name recreanten, zoals theehuisjes, ijssalons, croissanterieën, lunchrooms, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen horecabedrijven; 1.22 cultuurgrond: grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden; 1.23 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.24 (dag)recreatief medegebruik: een (dag)recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan; 1.25 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.26 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling: bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden; 1.27 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.28 geluidzoneringsplichtige inrichting: een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidzone moet worden vastgesteld; 1.29 groepsaccommodatie: een verblijf met meer dan tien slaapplaatsen, niet zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, in hoofdzaak bestemd voor en gebezigd als verblijf voor vakantie- en andere recreatieve doeleinden; 1.30 grondgebonden agrarische bedrijfsvoering: een agrarische bedrijfsvoering, waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond; 1.31 hoofdgebouw: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.32 horecabedrijf en/of -instelling: een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie c.q. prostitutie; 1.33 hotel of pension: een horecabedrijf waar de bedrijfsuitoefening hoofdzakelijk is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van logies; 1.34 kaart: de kaart met bijbehorende verklaring, bestaande uit 2 bladen, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven, zoals opgenomen in Bijlage 1 Kaart; 1.35 kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan; enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde; één en ander voorzover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.36 kampeerterrein: een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die in-richting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf; 1.37 kleinschalig kampeerbedrijf: een bedrijf of een daarmee gelijk te stellen activiteit, welk(e) gericht is op het verstrekken van standplaatsen aan kampeermiddelen en welk(e) ondergeschikt is aan een woon- of bedrijfsfunctie; 1.38 kleinschalig logiesverstrekkend bedrijf: een logiesverstrekkend bedrijf, of een daarmee gelijk te stellen activiteit, welk(e) ondergeschikt is aan een woon- of andere bedrijfsfunctie; 1.39 kleinschalig vervoermiddelenverhuurbedrijf: een vervoermiddelenverhuurbedrijf, of een daarmee gelijk te stellen activiteit, welk(e) ondergeschikt is aan een woon- of andere bedrijfsfunctie; 1.40 kleinschalige bedrijfmatige activiteit: een bedrijf of een daarmee gelijk te stellen activiteit, welk(e) ondergeschikt is aan een woon- of andere bedrijfsfunctie, zoals kleinschalige logiesverstrekkende bedrijven, vervoermiddelenverhuurbedrijven, winkels e.a., en kampeerbedrijven; 1.41 kleinschalige winkels e.a.: de uitoefening van detailhandel, inclusief kunstnijverheid en/of ateliers, of een daarmee gelijk te stellen activiteit, welk(e) ondergeschikt is aan een woon- of andere bedrijfsfunctie; 1.42 landschappelijke waarden: de cultuurhistorische en de visuele waarden van het landschap; 1.43 logiesverstrekkend bedrijf: een bedrijf waar, tegen vergoeding, logies wordt verstrekt, waarbij de logieseenheden enkel zijn ingericht voor nachtverblijf en waarbij naast het verstrekken van logies mogelijk accommodaties worden aangeboden voor dagverblijf en maaltijdbereiding; 1.44 logiesverstrekking: het verstrekken van logies, waarbij de logieseenheden enkel zijn ingericht voor nachtverblijf, naast het verstrekken van logies worden accommodaties aangeboden voor dagverblijf en maaltijdbereiding; 1.45 natuurlijke waarden: de abiotische en biotische waarden van het gebied; 1.46 niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering: een agrarische bedrijfsvoering, waarbij hoofdzakelijk geen gebruik wordt gemaakt van open grond; 1.47 permanente bewoning: bewoning in een gebouw dat kan worden aangemerkt als een aantoonbaar hoofdverblijf; 1.48 peil: voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: 1.de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: 1.49 productiegebonden detailhandel detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.50 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding; 1.51 recreatieve bewoning: de bewoning door derden, niet zijnde de eigenaar van de woning, voor verblijfsrecreatieve doeleinden. 1.52 schiphuis: een gebouw, uitsluitend bedoeld voor de stalling van boten; 1.53 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen wordt verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.54 stacaravan: een caravan die, ook al is hij niet bouwvergunningsplichtig, toch als een gebouw valt aan te merken; 1.55 standplaats voor kampeermiddel: een aaneengesloten stuk grond op een kampeerterrein, al dan niet af-gebakend, waarop krachtens het plan plaatsen van een kampeermiddel, of meerdere bij elkaar behorende kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf, is toegestaan; 1.56 trekkershut: een, op een terrein met centraal beheer, permanent ter plaatse aanwezig recreatief verblijf dat wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.57 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor permanente bewoning voor één afzonderlijk huishouden; 1.58 woongebouw: een gebouw, dat meerdere naast elkaar en geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat, welke woningen zijn te bereiken door middel van één of meer gemeenschappelijke verkeersruimten; 1.59 woonhuis: een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden; 1.60 woonschip: een zich in het water bevindend, hoofdzakelijk niet voor varen bedoeld object, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van een afzonderlijke huishouding;

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel