Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8

Artikel 8.1.7

Beëindigingsgronden

Onderdeel van Beleidsregels sociaal domein gemeente Uitgeest 2017

1. . Het college kan een schuldhulpverleningstraject, in ieder geval, beëindigen als: niet (meer) of in onvoldoende mate wordt voldaan aan de voorwaarden en/of verplichtingen; de belanghebbende niet (meer) is aangewezen op de gevraagde of geboden schuldhulpverlening omdat de noodzaak hiertoe ontbreekt of de voorziening niet langer toereikend is; de belanghebbende zijn beschikbare aflossingscapaciteit of vermogen niet wil gebruiken voor de aflossing van zijn schulden; de belanghebbende zich niet naar vermogen inspant en zich niet aan de gemaakte afspraken houdt om de onderliggende oorzaak van de schuldenproblematiek op te lossen; de belanghebbende zich ten opzichte van de medewerkers, die direct of indirect belast zijn met de werkzaamheden die voortkomen uit het schuldhulpverleningstraject, (ernstig) misdraagt; aan de belanghebbende op basis van onjuiste gegevens schuldhulpverlening is toegekend, waardoor als dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing was genomen. duidelijk is dat de belanghebbende slechts tijdelijk in de gemeente verblijft; er een WSNP-verklaring is afgegeven, tenzij naar het oordeel van het college budgetbeheer en/of financiële coaching en training noodzakelijk is; de schuldhulpverlening door het college niet langer noodzakelijk wordt geacht; de belanghebbende niet langer inwoner is van de gemeente en er nog geen minnelijke schuldbemiddeling tot stand is gekomen; het minnelijke traject tot schuldregelen niet is geslaagd, omdat één of meerdere schuldeisers geen medewerking verlenen en de WSNP geen mogelijkheid is. 2. . Voordat overgegaan wordt tot beëindiging van een schuldhulpverleningstraject wordt de mate van verwijtbaarheid beoordeeld, waarbij extra aandacht uitgaat naar situaties waarin minderjarige inwonende kinderen deel uitmaken van het gezin.

Rechtspraak bij dit artikel