1. Het college ondersteunt:
ingezetenen in het nemen van eigen verantwoordelijkheid;
en draagt zorg voor de zelfredzaamheid en participatie van ingezetenen.
Het college draagt zorg voor de kwaliteit en de continuïteit van de voorzieningen.
artikel 3.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening
Het college neemt het onderzoeksverslag als uitgangspunt bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.
Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of;
gebruikelijke hulp en/of;
mantelzorg en/of;
hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
algemene voorzieningen en/of;
voorliggende voorzieningen.
Indien meerdere maatwerkvoorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.
artikel 3.3 Algemene weigeringsgronden
Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat:
indien de maatwerkvoorziening voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk is.
indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente.
voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen.
voor zover de cliënt een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de cliënt toereikend en passend te zijn.
indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of doordat een huisgenoot niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3 van deze verordening.
indien de maatwerkvoorziening of de noodzaak daarvan voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was;
indien de maatwerkvoorziening voorzienbaar was, tenzij van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de maatwerkvoorziening overbodig hadden gemaakt.
indien de noodzaak tot het treffen van de maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid en participatie, geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was.
artikel 3.4 Bijzondere weigeringsgronden ten behoeve van het wonen
Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening in het kader van het wonen bestaat indien:
de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud.
de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning ten behoeve waarvan de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd.
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen, verbrede toegangsdeuren, vlonders en een opstelplaats voor de rolstoel.
de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare, meest geschikte woning, tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college.
de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de eisen van de tijd.
artikel 3.5 Regie van de huishouding
Onverminderd het bepaalde in de wet komt een cliënt voor de maatwerkvoorziening regie van de huishouding in aanmerking:
indien de cliënt beperkingen heeft in het voeren van een huishouden, en
indien de cliënt niet de regie kan voeren over het huishouden, en
voor zover de cliënt geen gebruik kan maken van de algemene voorziening huishoudelijke hulp.
HOOFDSTUK 3
Artikel 3.1