**1..** Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.
**2..** Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt in ieder geval begrepen:
het op een onverantwoorde wijze besteden van vermogen of vermogensbestanddelen,
het doen van een schenking voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening, dit voor zover bijstandsverlening redelijkerwijs was te voorzien;
het verwijtbaar geen beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening, door deze niet te gelde te maken dan wel weigeren er een beroep op te doen.
**3..** De verlaging wordt vastgesteld op:
10 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1000,00;
20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000,00 tot € 2000,00;
40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000,00 tot € 4000,00;
100 procent van de bijstandsnorm gedurende tenminste één maand en maximaal drie maand bij een benadelingsbedrag van € 4000,00 of hoger.
**4..** Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de verlaging 100 procent van de uitkeringsnorm voor de duur van de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op een uitkering. Dit tot een maximum van drie maand.
Hoofdstuk 4.
Artikel 13.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, Bbz 2004, IOAW en IOAZ De Fryske Marren.