Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3.

Inlichtingenverplichting

Onderdeel van Beleidsregels Bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ 2017

In de Pw en aanvullende regelingen is vastgelegd dat de belanghebbende op verzoek van het college of onverwijld uit eigen beweging inlichtingen verstrekt. Onverwijld uit eigen beweging: Inlichtingen moeten onmiddellijk bekend worden gemaakt bij het college zodat er niet te veel of te weinig uitkering wordt betaald. Het begrip ‘onverwijld’ betekent letterlijk onmiddellijk. Op grond van vaste rechtspraak dient een belanghebbende in ieder geval een ‘redelijke’ termijn van 5 werkdagen te worden gegund. In de uitvoeringspraktijk wordt 5 werkdagen gehanteerd als termijn. De reden hiervoor is dat wijziging in de hoogte of het recht van de uitkering binnen afzienbare tijd bekend moeten zijn om te voorkomen dat er bijstand moet worden teruggevorderd. Voor de bepaling of de inlichtingenverplichting is geschonden en een boete moet worden overwogen, is dat argument niet van belang. Er kan dan een ruimere termijn worden gehanteerd. Voor de vaststelling of een boete moet worden overwogen wordt daarom een termijn van 2 weken aangehouden. Daarmee wordt aangesloten op de termijn voor het inleveren van nota’s na toekenning van bijzondere bijstand. Hiermee krijgt de belanghebbende iets meer ruimte om te voldoen aan de inlichtingenverplichting en het kan een positief effect hebben op het aantal te overwegen boetes. De termijn van orde wordt geboden als de uiterste inleverdatum is verstreken en de inkomstenverklaring is niet ingeleverd. Deze datum staat op de inkomstenverklaring. Met de termijn van orde wordt de belanghebbende eraan herinnerd dat hij de verklaring dient in te leveren. Er is dan nog geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting. Zodra de termijn van orde ongebruikt is verstreken wordt er een hersteltermijn geboden. Dan is er wel sprake van schending van de inlichtingenverplichting.

Rechtspraak bij dit artikel