Het college zorgt bij het uitoefenen van de financieringsfunctie voor:
het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige
gelden om de programma’s binnen de door de raad vastgestelde kaders van de begroting uit te voeren;
het beheersen van de risico’s, verbonden aan de financieringsfuncties, zoals renterisico’s, koersrisico’s en kredietrisico’s;
het beperken van de kosten van leningen en het bereiken van een voldoende rendement op uitzettingen;
het beperken van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en de financiële posities.
Het college neemt bij de uitvoering van de financieringsfunctie de volgende richtlijnen in acht:
het uitzetten van overtollige geldmiddelen gebeurt uitsluitend bij instellingen met minimaal een A-rating, afgegeven door tenminste één gezaghebbende rating agency;
overtollige geldmiddelen worden uitsluitend uitgezet tegen vastrentende waarden, dan wel in producten waarbij de hoofdsom aan het einde van de looptijd in tact is;
voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan een jaar worden tenminste drie prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd;
overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het uitzetten van middelen of het verlenen van garanties luiden in euro.
Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke taak bedingt het college, indien mogelijk, zekerheden. Het college motiveert in zijn besluit het openbaar belang van dergelijke uitzettingen van middelen, verstrekkingen van garanties en financiële participaties.
Ter uitvoering van het gestelde onder 1. en 3. stelt het college regels op, die worden vastgelegd in het financieringsstatuut.
4. Financieel beheer en interne controle.