In deze afdeling wordt verstaan onder:
boom: een houtig opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een stamdiameter van minimaal 30 cm gemeten op 130 cm hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamdiameter van de dikste stam. In afwijking van deze minimale stamdiameter van 30 cm geldt geen minimale stamdiameter indien het bomen zijn in gemeentelijke Hoofdgroenstructuren en indien het bomen zijn, aangelegd op grond van de artikelen 4:11 onder d en 4:11 onder e en bij bomen als bedoeld in artikel 4:11 onder g van deze verordening;
houtopstand: één of meer bomen of boomvormers of houtwal of hakhout of ander houtachtig gewas;
hoofdgroenstructuur: houtopstanden die in gemeentelijk beleid zijn aangewezen als bijzondere structuur;
vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom ten gevolge kunnen hebben;
dunning: een velling uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van overblijvende bomen;
boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;
bomeneffectanalyse: een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een boom;
Bomencompensatiefonds: fonds met daarin gelden die bestemd zijn voor het herplanten van bomen;
bebouwde kom: in afwijking van artikel 1:1 onder d wordt in deze afdeling bedoeld de bebouwde kom vastgesteld in het kader van artikel 4.1, onderdeel a, Wet natuurbescherming;
monumentale boom: een in het Landelijk Register voor Monumentale Bomen geregistreerde boom.
Hoofdstuk 4 › Afdeling 3.
Artikel 4:10
Begripsbepalingen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Alphen-Chaam 2017