Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 28

Uittreding

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Noordelijk Belastingkantoor

1.. Gedurende vijf jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk. De uittreding geschiedt per 1 januari van enig kalenderjaar. 2.. Het voornemen tot uittreding wordt door het bestuur van de betreffende deelnemer schriftelijk aan het bestuur meegedeeld. 3.. Na de ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt aan een door het bestuur aan te wijzen onafhankelijke derde opdracht verleend binnen een termijn van zes maanden een liquidatieplan op te stellen, als ware tot opheffing van de regeling besloten. 4.. Op grond van het in het derde lid opgestelde liquidatieplan besluit het bestuur van de betreffende deelnemer of daadwerkelijk tot uittreding wordt overgegaan. Het bestuur van de betreffende deelnemer besluit hiertoe niet dan nadat het toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan heeft gekregen als bedoeld in artikel 61, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het bestuur van de betreffende deelnemer maakt binnen zes maanden na ontvangst van het liquidatieplan aan het bestuur kenbaar of het daadwerkelijk uittreedt. 5.. Indien kenbaar is gemaakt dat het bestuur van de deelnemer daadwerkelijk uittreedt, stelt het bestuur het liquidatieplan vast. De in het liquidatieplan omschreven financiële verplichtingen zijn voor de uittredende deelnemer bindend. 6.. Nadat het liquidatieplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor hem omschreven financiële verplichtingen aan het samenwerkingsverband te voldoen. 7.. De kosten van het opstellen van het liquidatieplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden. 8. . Bij uittreding van een deelnemer vindt geen verrekening van het vermogen plaats.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel