**1..** Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag, ernst van de gedraging, omstandigheden en mate van verwijtbaarheid
**2..** Onverminderd artikel 2 wordt de verlaging:
Vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden voor zover sprake is van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid voor zover dit heeft plaatsgevonden vóór de melding om bijstand;
vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand voor zover het een beroep op bijstand betreft waarvoor belanghebbende verwijtbaar geen daadwerkelijk beroep meer kan doen op een voorliggende voorziening;
bij onverantwoord interen op in aanmerking te nemen vermogen, vastgesteld op 20% van de bijstandsnorm gedurende de periode, dat belanghebbende, bij verantwoord interen op in aanmerking te nemen vermogen, geen beroep had hoeven doen op bijstand, uitgaande van een besteding van 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm (per maand);
vastgesteld op 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, indien belanghebbende de hem opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de wet niet nakomt;
voor zover het een beroep op bijzondere bijstand betreft, met uitzondering van een beroep op bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de wet, als volgt vastgesteld: de afstemming bestaat uit het verlenen van de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening in plaats van ‘om niet’.
**3..** De duur van de verlaging, als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, wordt verdubbeld, maar bedraagt ten hoogste drie maanden, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit tot verlaging met toepassing van het tweede lid, opnieuw schuldig maakt aan een dergelijke verwijtbare gedraging.
**4..** Bij een derde en volgende verwijtbare gedraging, als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het laatste besluit tot verlaging met toepassing van het tweede lid, onderdelen a tot en met d, stemt het college de hoogte en de duur van de verlaging, onverminderd artikel 2, individueel vast.
HOOFDSTUK 4.
Artikel 14.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Uithoorn 2017