Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2. › Paragraaf 1.

Artikel 2.3.1.2

Exploitatie openbare inrichting

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Meerssen 2017

1.. Onder een openbare inrichting wordt verstaan hetgeen in artikel 2.3.1.1 ‘begripsomschrijving’ is omschreven. 2.. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 3.. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 4.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in het tweede lid worden geweigerd: Indien moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; Indien uit de ter beschikking staande gegevens kan worden afgeleid dat in een openbare inrichting middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet zullen worden bereid, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of aanwezig zullen zijn; Indien de houder geen verklaring omtrent het gedrag overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven. 5.. In het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) kan om een advies als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob worden gevraagd bij het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur als bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet. 6.. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: Een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van een openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; Een zorginstelling; Een museum; Een bedrijfskantine of -restaurant; Een openbare inrichting waarvoor een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet is verleend. 7.. De exploitatie van een openbare inrichting als bedoeld in het tweede lid moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare weg niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed; 8.. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het tweede lid en op de vrijstelling bedoeld in het zesde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel