Het college kan besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien:
a) het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgerond;
b) belanghebbende niet langer voldoet aan het genoemde in artikel 2;
c) belanghebbende niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt zoals neergelegd in artikel 3 lid 3, artikel 6 en artikel 7 van de wet en artikel 4 van deze beleidsregels;
d) belanghebbende zijn beschikbare aflossingscapaciteit niet wil gebruiken voor de aflossing van schulden;
e) op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan belanghebbende is toegekend, als dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;
f) belanghebbende zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het schuldhulpverleningstraject, misdraagt;
g) belanghebbende in staat is om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren;
h) de geboden hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende, niet (langer) passend is;
i) belanghebbende daartoe zelf verzoekt;
j) de schuldhulpverlening door het college niet langer noodzakelijk wordt geacht;
k) een verzoek tot toelating Wet schuldhulpverlening Natuurlijke Personen is verstrekt.
Artikel 6.
Beëindiginggronden
Onderdeel van Beleidsregels schuldhulpverlening 2017 gemeente Velsen, eerste wijziging