Naar hoofdinhoud

Artikel 7

budget vervoersvoorzieningen

Onderdeel van Regeling maatschappelijke ondersteuning Gouda 2017

1.. Voor een budget voor vervoersvoorzieningen geldt het volgende: voor het gebruik van een eigen auto, als de aanvrager is aangewezen op het gebruik van de eigen auto, geldt een norrmbedrag van € 1218,69 op jaarbasis; voor het gebruik van een bruikleenauto geldt een normbedrag van € 821,96op jaarbasis; voor het gebruik van een taxi, als de aanvrager geen gebruik kan maken van het collectief vervoer en niet rolstoelgebonden is, geldt een taxitegoed van € 3.206,26op declaratiebasis of op verzoek van de aanvrager een bijdrage van € 757,95op jaarbasis; voor het gebruik van een rolstoeltaxi, als de aanvrager geen gebruik kan maken van het collectief vervoer en rolstoelgebonden is, geldt een taxitegoed van € 3.206,26 op declaratiebasis of een maximale bijdrage van € 1.148,97 op jaarbasis; voor een ander verplaatsingsmiddel geldt een maximale tegemoetkoming van € 443,24 op jaarbasis en bij de indicatie rolstoeltaxi een maximale bijdrage van € 540,14 op jaarbasis. 2.. De hoogte van een tegemoetkoming voor het aanpassen van een eigen auto wordt bepaald aan de hand van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Deze vergoeding bedraagt maximaal de kosten van de goedkoopst aanpasbare auto. 3.. Als er sprake is van aanpassingskosten van de eigen auto geldt als afschrijvingstermijn van de voorziening ten minste zeven jaar. Met uitzondering van overzetbare voorzieningen wordt deze voorziening daarom slechts toegekend als de aan te passen auto niet ouder is dan drie jaar. De kosten van de noodzakelijke aanpassingen worden gebaseerd op de goedkoopst aanpasbare auto. De opties met betrekking tot de uitrusting van de auto, zoals automatische transmissie, stuurbekrachtiging en airco, zijn van vergoeding uitgesloten. 4.. Collectief vervoer bestaat uit een regiotaxipas waarmee tegen gereduceerd tarief maximaal 2000 km per jaar kan worden gereisd. 5.. Voor de sociaal begeleider van de gebruiker van het collectief vervoer gelden de volgende voorwaarden: de sociaal begeleider mag geen Wmo-geïndiceerde zijn; de sociaal begeleider dient zelfstandig te kunnen reizen en niet aan een rolstoel of scootmobiel gebonden te zijn; er mag maximaal één sociaal begeleider per (enkele) rit meegaan; de sociaal begeleider reist vanaf hetzelfde opstapadres naar dezelfde bestemming; er mogen maximaal 20 enkele ritten per jaar worden gemaakt; de rit van de sociaal begeleider wordt gelijktijdig geboekt met dezelfde reservering als de rit van de Wmo-pashouder. 6.. Medische begeleiding in het collectief vervoer is mogelijk als er sprake is van medische technische handelingen bij gedragsproblemen en wanneer eenvoudige algemeen dagelijkse levensverrichtingen tijdens de rit nodig zijn.

Rechtspraak bij dit artikel