Naar hoofdinhoud
Nadat de maximale hoogte van de boete is vastgesteld aan de hand van de daarvoor geldende algemene regels zoals opgenomen in artikel 18a van de Wet of artikel 20a van de IOAW/IOAZ, moet altijd worden beoordeeld of er reden is om dit bedrag afwijkend vast te stellen. Daartoe moeten de boetes indringend worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Op grond van deze toets geldt in het kader van de verwijtbaarheid het volgende als uitgangspunt bij bepaling van de hoogte van de boete: opzet aantoonbaar: 100% van het benadelingsbedrag; geen opzet, wel grove schuld: 75% van het benadelingsbedrag; geen opzet en geen grove schuld: 50% van het benadelingsbedrag; voldaan aan criteria van artikel 2a Boetebesluit sociaal zekerheidswetten of om andere reden sprake van verminderde verwijtbaarheid: 25% van het benadelingsbedrag.

Rechtspraak bij dit artikel