Voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten geldt dat de plaats van tewerkstelling het beginpunt en het eindpunt is van de dienstreis.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de woning van de ambtenaar of een andere plaats als beginpunt respectievelijk eindpunt van de dienstreis worden aangemerkt, tenzij op de heenreis onderscheidenlijk de terugreis de plaats van tewerkstelling wordt bezocht.
Voor dienstreizen dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van het openbaar vervoer.
Indien per openbaar vervoer wordt gereisd, wordt een tegemoetkoming verleend gelijk aan de kosten van vervoer volgens de laagste klasse, onder voorwaarde dat de ambtenaar bij de declaratie zijn plaatsbewijzen overlegt.
Indien de dienstreis naar het oordeel van de werkgever niet op doelmatige wijze per openbaar vervoer kan worden ondernomen, wordt de ambtenaar toestemming verleend te reizen per eigen motorvoertuig, scooter, fiets of bromfiets.
Indien de ambtenaar voor de dienstreis gebruik maakt van een in lid 3 genoemd eigen vervoermiddel, heeft hij recht op een vergoeding volgens punt 1 van bijlage 1. De vergoeding wordt verleend op declaratiebasis.
Parkeer-, veer- en tolgelden worden vergoed op declaratiebasis.