Voordat de WW ook op ambtenaren van toepassing werd, was in het modelreglement de bepaling opgenomen dat voor een ambtenaar die wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken werd ontslagen een afwijkende uitkeringsregeling kon worden vastgesteld, indien dat ontslag was te wijten aan eigen schuld of toedoen van betrokkene. Aangezien de WW een vergelijkbare bepaling bevatte is dat artikel sindsdien komen te vervallen. Tegelijk met de versobering van de WW is de zogeheten verwijtbaarheidtoets echter met ingang van 1 oktober 2006 versoepeld. Die versoepeling werkte daarmee automatisch door naar de bovenwettelijke uitkeringen, zonder dat dit uitdrukkelijk door de regelgever werd beoogd en zonder dat hier een goede reden voor was te noemen.
Aangezien de bovenwettelijke regelingen de ambtenaar nog steeds aanspraken bieden die duidelijk uitgaan boven de aanspraken op grond van de WW, is het gerechtvaardigd de versoepeling van de verwijtbaarheidtoets in het kader van de recente wijziging van de bovenwettelijke regeling ongedaan te maken. Deze nieuwe regeling staat immers nog meer dan de oude in het teken van het voorkomen van onvrijwillige werkloosheid en daarmee van het aanscherpen van de verplichtingen die ook de ambtenaar daarbij in acht heeft te nemen. Het sluit daarbij naadloos aan van de ambtenaar te verlangen zich kritiek op zijn functioneren aan te trekken en dat functioneren te verbeteren, uiteraard slechts voor zover dat binnen zijn vermogen ligt. Deze bepaling ziet dus op het geval waarin de ambtenaar wel beter kan, maar dat om hem moverende redenen niet doet. Het is gerechtvaardigd hem dan blijvend geheel de bovenwettelijke uitkering te weigeren, mede gezien het feit dat zijn recht op WW daardoor in principe onaangetast blijft. Voor de invulling van dit begrip kan steun worden gezocht bij de ruime jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep die over dit leerstuk voorhanden is.