Naar hoofdinhoud
1.. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt middels een evenredigheidstoets in verhouding tot de mate waarin de inlichtingenplicht is geschonden vastgesteld, waarbij in ieder geval de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende getoetst worden. 2.. De ernst van de overtreding wordt in beginsel afgemeten aan de hoogte van het benadelingsbedrag. 3.. De mate van verwijtbaarheid wordt gecategoriseerd als opzet, grove schuld, normale verwijtbaarheid of verminderde verwijtbaarheid met in acht name van de criteria genoemd in artikel 2a Bszw. 4.. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt, afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid, vastgesteld op: 100% van het benadelingsbedrag met een maximum van € 82.000, indien er sprake is van opzet; 75% van het benadelingsbedrag met een maximum van € 8.200, indien er sprake is van grove schuld; 50%  van het benadelingsbedrag met een maximum van € 5.467, indien er sprake is van normale verwijtbaarheid; 25% van het benadelingsbedrag met een maximum van € 2.734, indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. 5.. Indien er sprake is van recidive binnen 5 jaar van het begaan van de overtreding, dan wordt de hoogte van de bestuurlijke boete vermenigvuldigd met 150%, waarbij rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde maximale boetehoogte als benoemd in lid 4. 6.. Het college onderzoekt of de fictieve draagkracht van belanghebbende ten tijde van het nemen van het boetebesluit een (verdere) matiging van de boete rechtvaardigen, waarbij de hoogte van de bestuurlijke boete verlaagd wordt tot de fictieve draagkracht. 7.. De fictieve draagkracht bedraagt de financiële ruimte boven de fictieve beslagvrije voet van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm maal het aantal maanden waarbinnen de boete terugbetaald moet worden, waarbij geldt: 24 maanden, indien er sprake is van opzet; 18 maanden, indien er sprake is van grove schuld; 12 maanden, indien er sprake is van normale verwijtbaarheid; 6 maanden, indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. 8.. Indien belanghebbende een kosten delende medebewoner is of heeft, dan geldt bij de berekening van de fictieve draagkracht, zoals benoemd in lid 7, de kostendelersnorm als toepasselijke bijstandsnorm. 9.. Het college beoordeelt per individueel geval of het vermogen wordt betrokken bij de vaststelling van de fictieve draagkracht. 10.. Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Rechtspraak bij dit artikel