Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 17

Vergunning gemeentelijke archeologische monumenten

Onderdeel van Archeologieverordening Gemeente Gemert-Bakel 2010

1.. Het college van burgemeester en wethouders kan vergunning verlenen voor graafwerk en bodemingrepen in gemeentelijke archeologische monumenten. 2.. Alvorens een vergunning te verlenen als bedoeld in het eerste lid, winnen burgemeester en wethouders advies in van een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 3.. Het college van burgemeester en wethouders kan alleen vergunning verlenen indien het toezicht en de bescherming van het gemeentelijke archeologische monument is geregeld door: de mogelijkheid van toegang van door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen op het terrein; de mogelijkheid van de onder a. genoemde personen om - in overleg en in samenspraak met het college van burgemeester en wethouders - graafwerk en/of documentatiewerkzaamheden te (laten) verrichten. 4.. Aanlegvergunning kan slechts worden verleend indien vooraf door aanvrager van de aanlegvergunning door middel van archeologisch vooronderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de bodemingrepen: de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad. 5.. Het college vraagt advies aan de monumentencommissie voordat het beslist op de aanvraag van een vergunning op grond van artikel 16, tweede lid. 6.. Binnen zes weken na de adviesaanvraag brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college. 7.. Het college kan aan de verlening van de vergunning de volgende voorwaarden verbinden: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een vergunninghoudende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 8.. De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college in situ behouden dienen te blijven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel