Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.3

Stoffenpakket

Onderdeel van Bodemkwaliteitskaart

Standaardpakket NEN5740, aangevuld met arseen en chroom In de Regeling bodemkwaliteit is vastgelegd, dat in een bodemkwaliteitskaart tenminste de stoffen worden opgenomen uit het standaardpakket uit de NEN5740 (lit. 10). Het huidige stoffenpakket bestaat uit: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, som-PAK, minerale olie, som-PCB’s, lutum en organische stof. De stoffen arseen en chroom zijn sinds 1 juli 2008 niet meer opgenomen in het standaard stoffenpakket voor verkennend bodemonderzoek. Formeel hoeven deze stoffen niet meer te worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Voor deze stoffen zijn wel veel gegevens beschikbaar. Volledigheidshalve zijn ook arseen en chroom opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Deze bodemkwaliteitskaart is derhalve gebaseerd op de stoffen zoals opgenomen in het huidige standaardpakket uit de NEN 5740 (lit. 13) oftewel inclusief barium, kobalt, molybdeen en de som-PCB’s, aangevuld met de stoffen arseen en chroom die tot 1 juli 2008 deel uitmaakten van het basispakket uit de NEN5740 (lit. 14). Voor de stoffen die per 1 juli 2008 zijn toegevoegd aan het standaard stoffenpakket uit de NEN5740 geldt overgangsbeleid, op basis waarvan voor deze stoffen nog niet behoeft te worden voldaan aan het minimum van 20 waarnemingen per zone. Voor barium, kobalt en molybdeen geldt op dit moment als overgangstermijn 1 januari 2016. Voor PCB’s is de overgangstermijn afgelopen op 1 januari 2014. Specifiek voor PCB’s mag sindsdien een afwijkende regeling worden gebruikt. Voor een deel van de zones zijn ook voor de ‘nieuwe’ stoffen minimaal 20 waarnemingen beschikbaar. In paragraaf 6.3 is beschreven bij welke zones dit niet het geval is. In deze gevallen is gemotiveerd, dat de ‘nieuwe’ stoffen niet klassebepalend zijn en extra waarnemingen niet tot een wijziging van de zoneclassificatie leiden. Afwijkende regeling bij onvoldoende waarnemingen voor PCB’s Op 1 januari 2014 is de overgangsregeling afgelopen, op basis waarvan voor PCB’s nog niet behoefde te worden voldaan aan het minimum van 20 waarnemingen per zone. Per 1 januari 2014 is in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten een aanvulling opgenomen. Deze aanvulling houdt het volgende in: Voor PCB’s hoeft niet meer naar de afzonderlijke zones te worden gekeken, maar mag naar de gegevens van het hele bodembeheergebied tezamen worden gekeken (zonder onderscheid in boven- en ondergrond); Daarbij moet wel een onderscheid worden gehanteerd op basis van het percentage organische stof, met de volgende indeling: < 4 % organische stof 4 – 8 % organische stof > 8 % organische stof Als minimum aantal waarnemingen geldt daarbij 30 waarnemingen in plaats van 20 waarnemingen. Deze aanvulling is met dezelfde ingangsdatum ook opgenomen in bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit. De toelichting bij deze wijziging van de Regeling bodemkwaliteit vermeldt, dat men hierbij gemotiveerd mag afwijken. Afwijkende regeling voor barium, kobalt en molybdeen Met ingang van 1 januari 2016 geldt ook voor barium, kobalt en molybdeen een wijzigingsblad bij de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (lit. 6), waarbij voor deze stoffen het minimum van 20 analyses per zone wordt losgelaten. In plaats daarvan mag worden onderbouwd, dat deze stoffen niet van invloed zijn op de classificatie van zones. Voor deze onderbouwing geldt voor kobalt en molybdeen een minimum van 30 waarnemingen per bodemlaag voor het hele bodembeheergebied tezamen. Voor barium geldt volgens het wijzigingsblad geen minimum aantal waarnemingen, aangezien er op dit moment geen normen zijn waaraan kan worden getoetst (afgezien van de interventiewaarde indien verhoogde gehaltes barium duidelijk zijn terug te voeren op een antropogene bron). Minerale olie Conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten zijn ook voor de parameter minerale olie statistische berekeningen uitgevoerd. Omdat minerale olie in het algemeen bij de landbodem niet als diffuse verontreiniging voorkomt, zijn eventuele verhoogde statistische kengetallen voor minerale olie niet als achtergrondkwaliteit te beschouwen. Deze getallen zijn slechts ter indicatie opgenomen. EOX In het verleden maakte tevens de parameter EOX (extraheerbare, niet vluchtige organohalogeen-verbindingen) deel uit van het basispakket uit NEN5740. Deze indicator geldt tegenwoordig als weinig betrouwbaar en wordt niet meer bepaald bij bodemonderzoeken. In de eerste versie van voorliggende bodemkwaliteitskaart uit 2009 waren tevens de statistische kengetallen voor EOX opgenomen. Bij de actualisatie in 2015 is EOX niet meer meegenomen. Een uitzondering vormt de zone ‘K: Kanaalhavens, Broomchemie en omgeving’ in de gemeente Terneuzen. Dit gebied is in 2009 apart gezoneerd vanwege afwijkende EOX-waarden. Voor deze zone zijn daarom de EOX-waarden bij de actualisatie in 2015 wel meegenomen. Evaluatie bestrijdingsmiddelen (DDD, DDE, DDT en drins) In de oude bodemkwaliteitskaart van het buitengebied uit 2004 (lit. 9) was volgens de toenmalige normering een diffuse verontreiniging vastgesteld met de som van drins en de som van DDD+DDE+DDT. In 2008 is bij aanvang van het project voor de 3 Zeeuws-Vlaamse gemeentes tezamen een analyse uitgevoerd in hoeverre het buitengebied bij toetsing aan de Achtergrondwaarden nog steeds als licht verontreinigd geldt. Deze analyse is beschreven in de paragrafen 6.4 en 6.5. Uit deze analyse blijkt, dat de gemiddelde bodemkwaliteit in Zeeuwsch-Vlaanderen voor deze bestrijdingsmiddelen voldoet aan de achtergrondwaarde (uiteraard behoudens lokale verdachte locaties zoals boomgaarden). Op basis van deze analyse is bij de indeling en karakterisatie van zones geen verdere aandacht meer besteed aan DDD, DDE, DDT en drins. Bij de actualisatie in 2015 is niet meer opnieuw naar de gegevens van bestrijdingsmiddelen gekeken. Overige stoffen Er zijn geen aanwijzingen dat in de bodem van Zeeuwsch-Vlaanderen diffuse verontreinigingen met andere stoffen voorkomen. Ten behoeve van de bodemkwaliteitskaart van het landinrichtingsgebied Ponte (lit. 15) is in 2002 veldwerk uitgevoerd, waarbij 10 bovengrondmonsters en 10 ondergrond-monsters op een breed pakket (waaronder de nieuwe stoffen uit het standaardpakket) zijn geanalyseerd. Destijds overschreed de concentratie vanadium bij een deel van de monsters de toenmalige streefwaarde. Bij toetsing van deze monsters aan de huidige Achtergrondwaarde voldoen deze allen aan de Achtergrondwaarde voor vanadium.

Rechtspraak bij dit artikel