Geologische ontwikkeling in het Pleistoceen (< 10.000 jaar geleden)
Bij het begin van het Pleistoceen bevond zich in het noordoosten van Zeeuwsch-Vlaanderen een zeer ondiepe zee, waarin mariene (zee) afzettingen gevormd werden. Deze afzettingen worden de Formatie van Merksem genoemd. Het dorp Nieuw-Namen in de gemeente Hulst ligt op een erosierest van deze oudste afzettingen van het Pleistoceen. Dit is de enige plek in Nederland waar marien Pleistoceen aan de oppervlakte komt.
Gedurende het Vroeg-Pleistoceen behoorde Zeeuwsch-Vlaanderen tot het randgebied van de zee. In de omgeving van Perkpolder en Stoppeldijk werd zware klei op de Formatie van Merksem afgezet.
Deze Afzettingen van het Icenien zijn door erosie grotendeels verdwenen. Na vorming van de Afzettingen van het Icenien trok de zee zich terug. Een stelsel van rivieren vormde in het noordoostelijk gebied van Oost Zeeuwsch-Vlaanderen een serie klei- en zandlagen, die zijn samengevat onder de naam Afzettingen van Halsteren.
Middenpleistocene afzettingen zijn in Zeeuwsch-Vlaanderen nergens aangetoond. Het is dus niet mogelijk een reconstructie van de gebeurtenissen gedurende dat tijdvak te geven.
Gedurende het laatste koude deel (Wechselien-ijstijd) van het Pleistoceen werd in geheel Zeeuwsch-Vlaanderen door wind, sneeuw en rivieren een dik fijnzandig pakket afgezet. Dezelfde soort afzettingen zijn ook in andere delen van Nederland bekend. Ze worden samengevat onder de naam Formatie van Twente. In het zuidelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen komt de formatie van Twente langs de Belgische grens over grote uitgestrektheid aan de oppervlakte voor.
Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden)
Aan het einde van de Wechselien-ijstijd begon het jongste geologische tijdperk, het Holoceen. De zeespiegel steeg ten gevolge van het afsmelten van het landijs. Door de hiermee samenhangende stijging van de grondwaterspiegel verbreidde zich langzaam een moerasvegetatie over het land. Hierdoor begonnen zich veenafzettingen te ontwikkelen. Deze veengroei ging op de meeste plaatsen door tot na de Romeinse tijd.
Alleen het noordelijke deel van Oost-Zeeuwsch-Vlaanderen werd rond 5000 v.Chr door de zee overspoeld. Hier werden tot 2300 v.Chr. typische wadsedimenten afgezet; de Afzettingen van Calais. Na deze periode trok de zee zich terug uit dit gebied. Hierdoor kon de veengroei zich weer over het noordelijke deel van Oost-Zeeuwsch-Vlaanderen uitbreiden. Deze veengroei duurde tot ongeveer 300 n.Chr en wordt het Hollandveen genoemd. De bovenkant van het Hollandveen is op veel plaatsen door inbraken van de zee in kreken weggespoeld. De kreken werden daarna opgevuld met mariene zandige sedimenten. In de gebieden rondom de kreken werd het veen bedekt met mariene kleiige sedimenten. Deze jonge mariene sedimenten behoren tot de Afzettingen van Duinkerke en liggen nu in een groot deel van Zeeuwsch-Vlaanderen aan de oppervlakte.
Pas na 1350 hebben zich de bij Cadzand en Nieuwvliet aanwezige duinen ontwikkeld.
Situatie in Zeeuwsch-Vlaanderen
Het grondgebied van Zeeuwsch-Vlaanderen wordt begrensd door de Noordzee, de Westerschelde en België. In Zeeuwsch-Vlaanderen kunnen we onderscheid maken in de volgende landschappen:
het duin- en strandgebied tussen Cadzand en Breskens;
het polderlandschap, dat zich uitstrekt van de oever van de Westerschelde tot aan het zuidelijke zandgebied;
het iets hoger gelegen zuidelijke zandgebied langs de Belgische grens.
Het maaiveld ligt in Zeeuwsch-Vlaanderen op een hoogte van –1 tot +2,5 m N.A.P in het polderlandschap. In het zandgebied ligt het maaiveld tot +5 m N.A.P.