LID 1.1 BELEIDSUITGANGSPUNT
Als beleidsuitgangspunt wordt als regel gekozen voor het opleggen van een last onder bestuursdwang en niet voor het opleggen van een dwangsom. Een last onder bestuursdwang is een directer middel dat in tegenstelling tot de dwangsom binnen een concreet gesteld begunstigingstermijn tot feitelijke beëindiging van de overtreding leidt. Hiermee wordt tevens voorkomen dat betrokkenen in de gelegenheid worden gesteld een financiële belangenafweging te maken.
LID 1.2 SLUITING WONING/LOKAAL
Bij het opleggen van een last onder bestuursdwang wordt in principe gekozen voor sluiting van de woning/het lokaal. Dit moet als de meest effectieve maatregel worden beschouwd om de met de Opiumwet strijdige situatie te doen beëindigen en herhaling ervan te voorkomen. Bij wijze van uitzondering kan in concrete gevallen, waar het middel van sluiting niet adequaat of niet evenredig is, bekeken worden welke andere bestuursrechtelijke maatregel dient te worden toegepast.
LID 1.3 SLUITINGSBEVOEGDHEID
De sluitingsbevoegdheid van de burgemeester op basis van artikel 13b Opiumwet en de overige daarmee samenhangende maatregelen kan uitsluitend toepassing krijgen op basis van schriftelijke bewijsstukken.
LID 1.4 SLUITING
Onder het sluiten van het pand wordt in ieder geval het volgende verstaan:
het afsluiten van het pand door de betrokkene door ramen en deuren te sluiten en gesloten te houden;
ingeval van een lokaal, het door de betrokkene eventueel verwijderen van aanduidingen op, aan, in en over het pand, waaruit kan blijken dat het pand (voor publiek) geopend is;
het door de gemeente aanbrengen van stickers/aankondigingen en/of raamborden op de verdieping op/aan het pand dat het is gesloten wegens het overtreden van artikel 13b Opiumwet;
het ontoegankelijk maken voor het publiek van de woning/het lokaal.
De betrokkene krijgt in de last tot toepassing van bestuursdwang eerst zelf de gelegenheid om over te gaan tot sluiting van het drugspand. Hiertoe wordt hem in principe een begunstigingstermijn geboden van maximaal 72 uur.
Bij lokalen geldt dat binnen het eerste uur van deze 72 uur de klanten uit de inrichting dienen te worden verwijderd. Als binnen die termijn door de betrokkene geen sluiting heeft plaatsgevonden of wordt na de sluiting, zonder toestemming van het bevoegde gezag alsnog het drugspand betreden, dan kan de burgemeester onder toepassing van bestuursdwang de sloten van het drugspand vervangen. Het doorbreken van de door de burgemeester aangebrachte verzegeling en/of het daarna betreden van het gesloten pand levert een strafbaarheid op (artikel 2:31 APV), tenzij sprake is van een rechtmatig verkregen ontheffing van de burgemeester.
LID 1.5 INSCHRIJVING KADASTER
De beleidsregel is gerelateerd aan de locatie. Dat betekent dat een opgelegde bestuurlijke maatregel tevens werkt voor rechtsopvolgers. Een besluit tot toepassing van bestuursdwang ingevolge artikel 13b van de Opiumwet is een beperkingsbesluit dat valt onder de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
De burgemeester zal op grond van deze wet een besluit tot sluiting zo spoedig mogelijk inschrijven in de openbare registers, zoals bedoeld in 3:16 BW.
LID 1.6 KOSTEN
Op grond van artikel 5:25 Algemene wet bestuursrecht worden de kosten voor het toepassen van de bestuursdwang verhaald op de overtreder. De overtreder is degene die de overtreding van artikel 13b Opiumwet pleegt of medepleegt (conform artikel 5:1 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht). Eventuele kosten die gepaard gaan met de (tijdelijke) huisvesting van (huis)dieren door de gemeente vallen hier ook onder.
LID 1.7 ZIENSWIJZEN
Ingevolge artikel 4:8 Awb worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen. Belanghebbende(n) krijg(en) hiervoor een termijn van 7 dagen. Hiervan kan, op grond van artikel 4:11 Awb, worden afgezien indien vereiste spoed zich daartegen verzet.
Van het geen staat weergegeven onder 1. kan op grond van artikel 4:11 Awb worden afgezien, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet. Afhankelijk van de aard en ernst van de feiten kan spoedshalve bestuursdwang worden toegepast en hoeft geen termijn voor het indienen van zienswijzen te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.
LID 1.8 PROPORTIONALITEIT EN SUBSIDIARITEIT
In het kader van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit wordt door middel van een handhavingsarrangement opgetreden. Het voeren van een beleid waarin direct tot sluiting wordt overgegaan, is redelijk indien gemotiveerd wordt waarom de betreffende sluiting proportioneel en subsidiair is.
Mocht sluiting in voorkomend geval niet proportioneel en subsidiair worden geacht dan wordt bezien of volstaan, kan worden met een minder ingrijpende bestuurlijke maatregel, waaronder (niet-limitatief) het geven van een waarschuwing (al dan niet met een voorwaarde die strekt tot periodieke controles) of het voorwaardelijk nemen van een sluitingsbesluit met daaraan verbonden een in redelijkheid vast te stellen proeftijd.
De burgemeester dient aan degene(n) aan wie de gekozen maatregel wordt bekend gemaakt de motivering daarvan duidelijk en schriftelijk mede te delen.
Bij deze motivering betrekt de burgemeester in ieder geval de duur van de sluiting in relatie tot:
de bestemming van het pand
de zwaarte van de overtreding
herhaling
duur van de overtreding.
LID 1.9 AFWIJKINGSBEVOEGDHEID
De bestuurlijke maatregelen zijn in dit beleid weergegeven. In beginsel wordt er overeenkomstig dit beleid besloten.
De burgemeester kan op basis van feiten en omstandigheden in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de maatregelen zoals deze zijn vastgesteld in het onderhavige beleid (artikel 4:84 Awb, de zgn. inherente afwijkingsbevoegdheid). Ook indien niet dezelfde overtreding voor de 2e of 3e keer is begaan, maar een overtreding uit een andere categorie, kan er aanleiding zijn van dit beleid af te wijken. Dit kan ook betekenen dat bijvoorbeeld bij zeer ernstige overtredingen een stap wordt overgeslagen of voor een langere periode wordt gesloten. Relevante indicatoren voor bepalen zwaarte sanctie. De navolgende (niet uitsluitend) indicatoren zijn betrokken bij het bepalen van de zwaarte voor de op te leggen sancties:
de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet (dit zal in ieder geval een als handelshoeveelheid aan te merken hoeveelheid moeten zijn)
de vraag of sprake is van een combinatie van middelen als bedoeld in lijst I en lijst II Opiumwet
de vraag of sprake is van één of meer (vuur)wapens/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie
(andere) signalen die duiden op beroeps- of bedrijfsmatigheid, zoals de aanwezigheid van verpakkingsmateriaal, grote som(men) (handels)geld, een weegschaal, assimilatielampen, een tabletteermachine (productie van pillen) e.d.
de mate van brandgevaar en/of ander gevaar voor de omgeving; de mate van risico voor omwonenden
de mate van overlast en de effecten op de omgeving
de vraag of sprake is van gewelds- of andere openbare orde delicten
de vraag of sprake is van recidive, ook in relatie tot eerdere voorbereidingshandelingen
het bestaan van een vermoeden dat de bewoner(s)/betrokkene(n) verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten (hierbij moet met name gedacht worden aan antecedenten t.a.v. de Opiumwet of de Wet Wapens en Munitie, maar ook antecedenten op het gebied van geweld jegens personen of zaken, zoals mishandeling, bedreiging, vernieling of diefstal e.d. kunnen een rol spelen)
de mate waarin het pand/de ruimte bekend staat als drugsadres
de mate waarin het pand/de ruimte betrokken is bij de drugshandel in georganiseerd verband
de aannemelijkheid dat behalve het pand of het daarbij behorende erf nog één of meer locaties betrokken is/zijn bij drugshandel in georganiseerd verband.
LID 1.10 OMSCHRIJVING
Met betrekking tot de omschrijving van het ‘verkopen, afleveren, verstrekken dan wel daartoe aanwezig hebben’ van verdovende middelen volgt uit het woord ‘daartoe’ dat de enkele aanwezigheid van verdovende middelen, waaronder hennep in al zijn verschijningsvormen, ten behoeve van verkoop, aflevering of verstrekking de bevoegdheid verschaft tot sluiting. Ten einde een last onder bestuursdwang te kunnen opleggen is het niet vereist dat de verdovende middelen daadwerkelijk zijn verhandeld.
LID 1.11 SLUITING BIJ HUUR
Een wijziging in de huursituatie wordt in beginsel als niet ter zake doende beschouwd indien deze wordt aangebracht nadat het voornemen tot op opleggen van een last onder bestuursdwang is uitgegaan. De ratio hierachter is dat de verhuurder niet met het plaatsen van andere huurders onder de genoemde last kan uitkomen. Het is immers op dat moment nog steeds noodzakelijk de loop van een dergelijk pand af te halen, het enkel plaatsen van nieuwe huurders leidt niet tot het voorkomen van herhaling van een met de Opiumwet strijdige situatie.
Criminelen misbruiken en/of gebruiken woningen en/of lokalen voor de illegale productie, verwerking en verkoop van soft- en harddrugs. Daarbij maken zij gebruik van woningen of lokalen van particuliere (bonafide) eigenaren of woningen van woningcorporaties. De burgemeester vindt het belangrijk dat particuliere verhuurders en woningcorporaties actief toezicht houden op de door hen verhuurde woningen en lokalen. De burgemeester wil in deze context graag gezamenlijk optreden. Daarom wordt voor particuliere eigenaren en woningcorporaties die zelf een concrete melding hebben gemaakt van drugsactiviteiten in een door hen verhuurde woning of lokaal een uitzondering gemaakt op de uitgangspunten van de toepassing van deze beleidsregels.