Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk XIII

Artikel 68

Artikel 68

Onderdeel van de Gemeenschappelijke regeling Stadsregio Amsterdam

1.. De regeling wordt opgeheven zodra de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van tenminste twee derden van het aantal deelnemende gemeenten, vertegenwoordigende tenminste twee derden van het aantal inwoners van het samenwerkingsgebied op 1 januari van dat jaar, tot deze opheffing hebben besloten. Een besluit, als bedoeld onder a, kan niet eerder worden genomen dan nadat de regioraad daarover zijn mening heeft kenbaar gemaakt. 2.. De opheffing gaat niet eerder in dan nadat de besluiten zijn opgenomen in het provinciale register, als bedoeld in artikel 27 van de wet, tenzij een latere datum is bepaald. 3.. Ingeval van opheffing van de regeling besluit de regioraad tot liquidatie en stelt hij daarvoor de nodige regelen. Hierbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. 4.. Het liquidatieplan wordt door de regioraad, de bestuursorganen van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld. 5.. Het liquidatieplan voorziet in ieder geval ook in de financiële en overige gevolgen die de opheffing voor het personeel heeft. 6.. Zonodig blijven de bestuursorganen van de Stadsregio Amsterdam ook na het tijdstip van de opheffing in functie totdat de liquidatie is beëindigd.

Rechtspraak bij dit artikel