Als de inwoner weet dat zijn beperkingen of de beperkingen waar hij in de toekomst mee te maken krijgt woningaanpassingen vereisen, dan moet hij daar vooraf rekening mee houden. De gemeente verwacht van de inwoner dat hij of zij zelf alvast maatregelen treft om toekomstige woonproblemen op te lossen. Deze maatregelen kunnen bestaan uit het sparen van geld voor een toekomstige verhuizing of voor het zelf aanschaffen van voorzieningen.
Voorbeelden van situaties waarbij sprake is van voorzienbaarheid, zijn:
De inwoner heeft een progressieve aandoening waarbij redelijkerwijs te verwachten is dat hij of zij op termijn niet meer in zijn of haar woning kan blijven wonen;
De inwoners zijn al op leeftijd en het bewegen gaat wat moeilijker. Ze besluiten om de badkamer te verbouwen omdat de oude badkamer niet meer mooi is. De gemeente verwacht van de inwoners dat ze bij de indeling van de nieuwe badkamer rekening houden met hun fysieke beperkingen, nu en in de toekomst. De inwoners kunnen bijvoorbeeld kiezen voor een douche op afschot en een verhoogd toilet.
Bij het toetsen van het begrip “voorzienbaarheid” gaat de gemeente uit van de vraag of de inwoner circa vijf jaar voordat de woonproblemen ontstaan, logischerwijs had kunnen weten of vermoeden dat de woonproblemen zouden kunnen gaan ontstaan en daar dus rekening mee had kunnen houden.
Van een traplift kan niet gezegd worden dat deze algemeen gebruikelijk is, omdat een traplift gezien wordt als een specifiek op gehandicapten gericht hulpmiddel. De traplift kan dus op basis van voorzienbaarheid (ouder worden) daarom niet zomaar afgewezen worden. Het verhuizen naar een gelijkvloerse woning ziet de gemeente wel als een algemeen gebruikelijke verhuizing. Veel ouderen gaan gelijkvloers en kleiner wonen omdat dat gemakkelijker en comfortabeler is. Van een inwoner kan echter alleen verwacht worden dat hij of zij verhuist naar een gelijkvloerse woning als er ook daadwerkelijk passende woningen zijn die ook financieel bereikbaar zijn voor inwoner.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.2.5