Een bouwkundige aanpassing of woontechnische ingreep aan een woonruimte kent de gemeente toe aan de inwoner. Als het een huurwoning betreft, zorgt de eigenaar van de woning echter voor de betreffende aanpassingen. De gemeente kan er in dat geval voor kiezen om de kosten voor de voorziening direct aan de eigenaar uit te betalen. De gemeente stuurt de beschikking toe aan de aanvrager/belanghebbende, met een afschrift aan de eigenaar.
Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt de gemeente met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden. Als een omgevingsvergunning noodzakelijk is, dan moet vooraf een onderzoek worden ingesteld.
Bij de toekenning van voorzieningen, is het niveau van sociale woningbouw het uitgangspunt. Dit is vastgelegd in het meest actuele “Bouwbesluit”.
De gemeente gaat ervan uit dat de eigenaar van de woning bij het vergroten van de woning zelf zorgt voor de aanpassing van de opstalverzekering.
Bij het verstrekken van dure woningaanpassingen is er soms sprake van een waardestijging van de woning. In een dergelijk geval kan de gemeente een anti-speculatiebeding van toepassing verklaren. In de Verordening en het Besluit wordt de terugbetalingsverplichting die bij het anti-speculatiebeding van toepassing is, beschreven.
Een woningaanpassing, niet zijnde het aanbrengen van een traplift, moet uiterlijk binnen drie maanden na het verlenen van de voorziening gereed zijn. Als dat niet lukt, kan de gemeente besluiten om de eerder verleende voorziening in te trekken. Als de voorziening gereed is, moet door de inwoner aan de gemeente een schriftelijke gereedmelding worden overlegd.
Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten zal de gemeente ook beoordelen of het verantwoord is voorzieningen (zoals trapliften) op een voor een ieder bereikbare plaats te zetten. Ook kijkt de gemeente naar zaken als slijtage door weer en wind.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.3.3