Naar hoofdinhoud
1.. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een zaak wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan. 2.. De goedkoopst compenserende voorziening blijkt uit een door het college goedgekeurde kostenbegroting, of uit een door de gemeente met een gecontracteerde leverancier afgesloten overeenkomst. De korting die de gemeente bij haar leveranciers heeft bedongen wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Voorwaarde daarbij is dat belanghebbende tegen dezelfde kortingsvoorwaarden bij deze leverancier kan inkopen. Het staat belanghebbende vervolgens vrij om bij een andere leverancier in te kopen. De extra kosten komen dan voor eigen rekening van belanghebbende. 3.. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een bouwkundig woonvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van een door het college gehanteerd calculatieprogramma. Wanneer dit niet mogelijk is dient belanghebbende minimaal twee offertes te overleggen, waarbij de goedkoopst compenserende voorziening als uitgangspunt dient voor vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget. 4.. Voor zover dit geen onderdeel is van het persoonsgebonden budget, kan het bedrag worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. 5.. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten; 6.. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor wat betreft het vervoer is gebaseerd op de autokosten van een kleine middenklasse auto volgens het Nibud waarbij de aanschafkosten buiten beschouwing dienen te blijven en waarbij het uitgangspunt geldt dat 1500 kilometer op jaarbasis moet kunnen worden gereisd; 7.. Voor zover de cliënt in zijn vervoersbehoefte kan voorzien door middel van collectief vervoer, wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt, omdat dit het voortbestaan van het systeem van collectief vervoer in gevaar brengt. 8.. Een cliënt ten behoeve van wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betreffende het tarief betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk: deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten dan door het college in het Besluit vastgestelde tarief. Dit lagere tarief wordt door het college in het Besluit vastgesteld; tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald. 9.. Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt, tenzij het college schriftelijk heeft ingestemd met een langere periode. 10.. Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de hoogte van en verplichtingen met betrekking tot het persoonsgebonden budget.

Rechtspraak bij dit artikel