**1..** Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de
secretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het
algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander
gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht verslag te doen over
zaken die in het algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn.
**2..** Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste
lid, mondeling of kort en duidelijk schriftelijke vragen stellen. De
mondelinge vragen worden gesteld ten tijde van de verslaglegging. De
regels voor het stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in
artikel 51, zijn van overeenkomstige toepassing Met dien verstande
dat: het eerste lid van artikel 51@ komt te vervallen, in het derde
en vierde lid aangaande ‘verantwoordelijk lid van het college’ dient
te worden gelezen: ‘verantwoordelijk lid als bedoeld in het eerste
lid van dit artikel’, in het zesde lid omtrent ‘het door
burgemeester of door het college gegeven antwoord’ dient te worden
gelezen: het door het ‘verantwoordelijk lid als bedoeld in het
eerste lid van dit artikel gegeven antwoord’.
**3..** Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste
lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van
functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan.
**4..** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties
of instituties, waarin de raad één van zijn leden heeft
benoemd.
Hoofdstuk 6
Artikel 55
Verslag; verantwoording
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Diemen