**1..** De jongmeerderjarige kan recht hebben op bijzondere bijstand indien de noodzakelijke kosten van het be-staan meer bedragen dan de voor hem geldende norm én voor deze kosten geen beroep kan worden ge-daan op zijn ouders, omdat:
de middelen van de ouder(s) daartoe niet toereikend zijn; of
de jongmeerderjarige redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.
**2..** De jongmeerderjarige kan zijn onderhoudsrecht in ieder geval niet te gelde maken indien hij:
a ouderloos is of de ouders onbereikbaar in het buitenland wonen, dan wel anderszins onbereikbaar zijn;
buiten het gezinsverband van de ouder(s) is geplaatst in het kader van de Jeugdwet;
niet verantwoord nog langer bij de ouder(s) kan wonen; of
de zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen.
**3..** De noodzakelijke kosten als bedoeld in het eerste lid hebben in ieder geval betrekking op:
zelfstandige huisvesting indien de jongmeerderjarige daar op is aangewezen;
kosten waarin niet door de instelling wordt voorzien waar de jongmeerderjarige is opgenomen dan wel verblijft.
**4..** De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in het vorige lid onder a. bedraagt niet meer dan het ver-schil tussen de toepasselijke jongerennorm en de norm voor een alleenstaande als bedoeld in artikel 21 van de wet.
**5..** Het recht op bijzondere bijstand als bedoeld in dit artikel wordt in ieder geval beëindigd met ingang van de datum waarop de 21 jarige leeftijd wordt bereikt.
**6..** Indien het college bijzondere bijstand verleent aan de jongmeerderjarige wordt geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot verhaal als bedoeld in artikel 62 van de wet.