Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Lozingsverbod/plicht tot afkoppelen

Onderdeel van Verordening afvoer hemelwater en grondwater

Lozingsverbod hemelwater en grondwater op drukriolering/plicht tot afkoppelen 2.1.1 Met de inwerkingtreding van deze verordening is het verboden een hemelwaterafvoerleiding en leiding ten behoeve van de afvoer van vrijkomend grondwater bij drainage, pompen of andere vormen van onttrekkingen, aan te sluiten of aangesloten te houden en daardoor te lozen op het drukriool; 2.1.2 Het verbod als bedoeld in 2.1.1. geldt tevens voor het lozen van, middels een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering, gezuiverd hemelwater of grondwater en de lozing van restanten uit ontijzeringsinstallaties, ten behoeve van het opwerken van grondwater, op de drukriolering; 2.1.3 Het verbod heeft eveneens betrekking op inrichtingen in de zin van de Wm. Lozingsverbod hemelwater en grondwater na gebiedsaanwijzing/plicht tot afkoppelen 2.2.1 De beheerder van het openbaar riool kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verboden is een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden en daardoor te lozen op het openbaar vuilwaterriool of het gemengd openbaar riool. Dezelfde gebiedsaanwijzing kan door genoemde beheerder worden gedaan ten aanzien van vrijkomend grondwater bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen; 2.2.2 Het verbod als bedoeld in 2.2.1. geldt tevens voor het lozen van, middels een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering, gezuiverd hemelwater of grondwater en de lozing van restanten uit ontijzeringsinstallaties, ten behoeve van het zuiveren van grondwater, op de vuilwaterriolering; 2.2.3 De gebiedsaanwijzing heeft eveneens betrekking op inrichtingen in de zin van de Wm. 2.2.4 De gebiedsaanwijzing heeft geen betrekking op het gemeentelijke drukriool, waar een generiek verbod geldt en de openbare ruimte; 2.2.5 Bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt de beheerder van het openbaar riool rekening met het geldende Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP); 2.2.6 De gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de achtste dag nadat deze bekend is gemaakt; 2.2.7 Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Overige bepalingen ten aanzien van lozingsverboden / plicht tot afkoppelen 2.3.1 De beheerder kan bij de gebiedsaanwijzing, per gebied, bepalen dat een gedeelte van het hemelwater alsnog op het gemengd riool aangesloten mag worden. Dit komt voor in situaties waarin het niet redelijk wordt geacht dat een particulier dit water volledig op eigen erf houdt of (nog niet) aan kan sluiten op een hemelwaterriool of – voorziening; 2.3.2 De beheerder kan ontheffing verlenen van de verboden tot lozing of de verplichtingen tot afkoppelen die voortvloeien uit artikel 2, indien het functioneren van het openbaar rioolsysteem dit vereist; 2.3.3 Aan de ontheffing als bedoeld artikel 2.3.2. kunnen voorschriften worden verbonden; 2.3.4 Indien het afkoppelen en bergen van hemelwater niet op het eigen perceel mogelijk is, kan ontheffing worden verleend van de bergingsplicht onder voorwaarde van vergoeding van de kosten van realisatie van de berging door of namens de gemeente en het gescheiden aanbieden van de waterstromen op de erfgrens.

Rechtspraak bij dit artikel