Naar hoofdinhoud
1.. De vertrouwenspersoon heeft de volgende taken: de eerste opvang van een melder die meent te maken hebben gehad met ongewenst gedrag en een beroep doet op de hulp van een vertrouwenspersoon. het bijstaan, begeleiden (bijv. ondersteuning bij gesprekken) en adviseren (bespreekt kansen en risico’s) van een melder en zo nodig verwijzen naar een professionele hulpverlenende instantie; in overleg met melder trachten te komen tot oplossing van de problemen; het door middel van het inschakelen van een bemiddelaar trachten tot een oplossing te komen. De bemiddelaar is zo mogelijk de direct leidinggevende omdat deze verantwoordelijk is voor een veilige werkomgeving voor zijn team/afdeling. Indien de direct leidinggevende zelf onderdeel is van het probleem, wordt de hoger leidinggevende gevraagd te bemiddelen. Als deze bemiddeling onvoldoende tot een oplossing leidt, of de verhoudingen ernstig verstoord zijn, kan een andere bemiddelaar (deskundige of een mediator) worden ingeschakeld. het ondersteunen van een melder bij het indienen van een klacht bij de klachtencommissie of indien het een strafbaar feit betreft (aanranding, verkrachting, mishandeling) bij het doen van aangifte bij de politie. Het verlenen van nazorg aan de melder die is geconfronteerd met ongewenste omgangsvormen met als doel te bezien of het indienen van een klacht niet leidt tot repercussies voor de klager, of de ongewenste gedragingen zijn opgehouden, of de door het bevoegd gezag gestelde maatregel wordt uitgevoerd. 2.. De vertrouwenspersoon verricht geen handelingen ter uitvoering van zijn taak dan met toestemming van melder ( met uitzondering van art. 4 lid 5).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel