Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval worden getroffen. Voor het groepsrisico gelden oriënterende waarden (zie onderstaande grafiek). Over elke overschrijding van de oriënterende waarde én bij een zekere toename van het groepsrisico moet verantwoording worden afgelegd.
Figuur: Normlijn groepsrisico (oriënterende waarden)
* Voor transport is de frequentie uitgedrukt per kmvak per jaar
In §2.6 is aangegeven in welke situaties de gemeente een nader onderzoek naar (de toename van) het groepsrisico eist. Het gaat bijvoorbeeld om de realisatie van meer dan 50 woningen nabij een spoorlijn. Bij een nader onderzoek moet eerst worden nagegaan of maatregelen mogelijk zijn om het groepsrisico te reduceren. Dit kan door het treffen van bronmaatregelen en door het schuiven met personendichtheden (hogere bebouwingsdichtheden verder van de risicobron af). Als dit niet mogelijk is, is een motivatie nodig waarbij wordt aangegeven waarom de ontwikkeling toch gewenst is (motieven t.a.v. economische, ruimtelijke, stedelijke ontwikkeling) en waarom alternatieven niet mogelijk zijn. Ook moet worden aangegeven hoe de veiligheidssituatie zoveel mogelijk wordt verbeterd.
Motieven voor de overschrijding van de oriënterende waarde of een acceptatie van de verslechtering van de risicosituatie kunnen zijn:
het opvullen van kleine open gaten in bestaand stedelijk gebied of vervangende nieuwbouw in het kader van de herstructurering van stedelijk gebied een voor
de specifieke locatie belangrijke ontwikkeling
een situatie waarbij door strikte toepassing van de normen de externe veiligheidsproblematiek elders (sterk) toeneemt.
Bij de verantwoording van het groepsrisico worden de veiligheidscriteria
zelfredzaamheid (§2.3), beheersbaarheid (§2.4) en resteffecten (§2.5) meegewogen. De
verantwoording wordt vastgelegd in een besluit, zoals bestemmingsplannen, art 19 WRO procedures en/of milieuvergunningen.
Voor de beoordeling van het GR in het landelijk gebied geldt hetzelfde uitgangspunt als voor het PR, nl. dat de risicosituatie in principe niet mag verslechteren (zie §2.1).