Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.4

Ruimtelijke plannen

Onderdeel van Beleidsvisie externe veiligheid

Ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen) vormen een belangrijk instrument om het externe veiligheidsbeleid te verankeren. De gemeente werkt vanuit een gebiedsgerichte aanpak aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit als geheel, waarbij voldaan wordt aan de veiligheidscriteria zoals in hoofdstuk 2 beschreven. Het planontwikkelingsproces Algemene uitgangspunten bij het opstellen van structuurvisies, omgevingsplannen en bestemmingsplannen zijn de volgende: Ieder plan kent zijn eigen schaalniveau, (milieu-)problematiek en fasering. Bepaal daarom per plan in overleg met de milieu-medewerkers en de brandweer - de veiligheidsdoelen op maat. De uitgangspunten, zoals beschreven in deze visie zijn hiervoor richtinggevend. Start ieder planproces met een inventarisatie van de risicosituatie (kwetsbare objecten, risicocontouren van bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken en transportrisicos, zie bijlage 4) Besteed in een Milieu-effectrapportage (MER) of Strategische Milieubeoordeling (SMB) aandacht aan de uitgangspunten uit deze visie. Overweeg per plan of het opstellen van veiligheids-effectrapportage (VER) meerwaarde biedt. Neem een paragraaf over veiligheid op. De gemeente stelt samen met de provincie een toetsingkader op voor de inhoud van deze paragraaf. Hierin wordt het advies van de regionale of gemeentelijke brandweer opgenomen. Leg risicocontouren en de gewenste veiligheidssituatie ruimtelijk vast. In bijlage 4 worden hiervoor verschillende mogelijkheden voor bestemmingsplannen toegelicht, waaronder het weergeven van risicocontouren op de plankaart, het vastleggen van tussenbestemmingen en het opnemen van de normen in voorschriften. Welke optie het beste is hangt af van het plan (vereiste flexibiliteit, betreft het een bestaande of een nieuwe situatie, is er ruimte voor tussenbestemmingen). Houd rekening met het advies van de brandweer ten aanzien van de mate van zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. Houd rekening met het vastleggen van buisleidingenstroken in bestemmingsplannen zoals aangegeven in het IOP. Inhoudelijke uitgangspunten Inhoudelijke uitgangspunten in het ruimtelijk veiligheidsbeleid zijn de volgende: Brongerichte maatregelen verdienen de voorkeur boven omgevingsgerichte maatregelen. Concentreer risicobronnen (zie toelichting hieronder) Zorg ervoor dat kwetsbare objecten (woningen) zover mogelijk van de risicobron zijn gelegen (in ieder geval buiten de 10-5 contour). Houd bij het bestemmen rekening met (beperkt) kwetsbare objecten en risicovolle activiteiten in aangrenzende gebieden (cq. plannen). Beperk bedrijfswoningen in gebieden met risicovolle activiteiten. Concentreer risicobronnen Net als de provincie voert de gemeente een meer sturend locatiebeleid. Het doel is de risicos te concentreren6 om zoveel mogelijk Zeeuwse ruimte vrij van risico s te houden. De provincie vraagt daarom bij wijziging van bestemmingsplannen van bedrijventerreinen waar risicovolle activiteiten worden toegestaan - vast te leggen welke bedrijfscategorieën worden toegelaten (categorieën risicovolle bedrijven) en welke bedrijfscategorieën dus niet. Daarbij gaat het om bedrijven die leiden tot de aanwezigheid van veel personen, zoals arbeidsintensieve bedrijven of publiekstrekkers. Het betreft in ieder geval bedrijven die ook aangemerkt kunnen worden als een kwetsbaar object zoals omschreven in het BEVI: detailhandel, opleidingsinstituten, kantoorgebouwen en hotels. Zo kan worden voorkomen dat bij industrieterreinen die mede bestemd zijn voor de vestiging van risicovolle bedrijven, uitbreiding van deze activiteiten wordt belemmerd door de vestiging van bedrijven die veel personen aantrekken en die qua categorie ook elders geplaatst kunnen worden. Voorts willen wij er voor zorgdragen dat bij nieuwe bedrijven of bedrijfsterreinen tot clustering van bedrijfssegmenten wordt overgegaan (bijv. geclusterde vestiging van chemische industrie). Daarnaast dient bij planontwikkeling rekening te worden gehouden met bestaande transportroutes voor gevaarlijke stoffen en evt. toename van transportrisicos als gevolg van nieuwe bedrijfsactiviteiten in een gebied. In het provinciaal beleid (IOP) is aangegeven om het transport door (ondergrondse) buisleidingen te bevorderen. Leidingstroken en hun omgeving moeten gevrijwaard blijven van bebouwing. Dit  voorkomt problemen met de aanleg van leidingen voor gevaarlijke stoffen. Het borgen van buisleidingenstroken is van belang zodat sneller en eenvoudiger nieuwe leidingen kunnen worden aangelegd. Voor transportleidingen met gevaarlijke stoffen zullen buisleidingenstroken worden aangewezen welke zullen worden vastgelegd in bestemmingsplannen. Deze uitgangspunten moeten op dusdanige wijze worden toegepast dat binnen een plan een optimale flexibiliteit van bedrijfsvestiging wordt gerealiseerd en een bijdrage wordt geleverd aan een duurzame economische ontwikkeling van de gemeente. 5 De concentratie van risicobronnen moet wel dusdanig plaats vinden dat, bijvoorbeeld door dominoeffecten en cumulatie, geen onverantwoorde situaties ontstaan. Bouwvergunning: afstemming & weigering We zorgen voor een goede afstemming van de procedure en de inhoud van de bouwvergunning met andere vergunningen waarbij externe veiligheid een rol speelt (milieuvergunning, gebruiksvergunning). Hierbij houden we rekening met het advies van de brandweer ten aanzien van de mate van zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. De gemeente wil voorkomen dat nieuwe saneringssituaties ontstaan. We willen dus niet dat ergens gebouwd wordt waardoor volgens het BEVI of de Circulaire transport een saneringssituatie ontstaat, ook al staat het bestemmingsplan dit toe. Dit betekent dat ofwel een bouwvergunning moet worden geweigerd6, ofwel dat de risicocontouren moeten worden teruggedrongen. De eerste oplossingsrichting kan leiden tot planschade. Deze kosten zullen in de regel echter aanzienlijk lager zijn dan de saneringskosten in een later stadium. Als de saneringssituatie redelijkerwijs voorkomen had kunnen worden, worden de saneringskosten namelijk niet door VROM betaald7. Onder redelijkerwijs wordt verstaan dat de gemeente binnen anderhalf jaar na inwerkingtreding van het BEVI een voorbereidingsbesluit8 had kunnen nemen op welke gronden de bouwvergunning geweigerd had kunnen worden. Bij de afweging of een voorbereidingsbesluit nodig was, wordt gekeken of bronmaatregelen mogelijk waren. Binnen onze gemeente zijn de volgende bedrijven op grond van het Besluit rampenbestrijding inrichtingen (Bri) verplicht een rampenbestrijdingsplan op te stellen: YARA, DOW, Zuidchemie, Broomchemie, de Rijke en Oiltanking. Een rampenbestrijdingsplan is een in detail uitgewerkt multidisciplinair plan waarmee de hulpdiensten een specifiek omschreven scenario kunnen bestrijden. De Commissaris van de Koningin toetst de rampenbestrijdingsplannen aan de hand van een interprovinciaal vastgesteld toetsingskader. 6 Dit kan alleen als de risicocontouren zijn vastgelegd in het bestemmingsplan (zie bijlage 4) 7 Voor LPG-stations kent VROM een financiële regeling; voor overige BEVI-categorieën is een regeling in de maak. 8 Dat is een besluit waarbij de gemeente verklaart dat voor een bepaald gebied een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid. Dit besluit heeft een werkingsduur van een of twee jaar. Het voorbereidingsbesluit heeft tot gevolg dat het college van Burgemeester en Wethouders bouwvergunningen nog niet kan afgeven. Deze zogeheten aanhoudingsplicht kunnen B en W onder bepaalde voorwaarden doorbreken. Als binnen de werkingsduur van een voorbereidingsbesluit een nieuw bestemmingsplan in procedure wordt gebracht, kan de aanhoudingsplicht doorlopen totdat het bestemmingsplan in werking is getreden. De aanhoudingsplicht vervalt eerder, wanneer de gemeente de termijnen in de bestemmingsplanprocedure overschrijdt. Tegen een voorbereidingsbesluit kan bezwaar en beroep worden gemaakt.

Rechtspraak bij dit artikel