Naar hoofdinhoud
Onderscheid harddrugs en softdrugs In de aanpak wordt onderscheid gemaakt tussen de aanwezigheid van harddrugs en softdrugs. Aan de activiteiten die te maken hebben met harddrugs zijn grotere risico’s voor de volksgezondheid verbonden. De handel vindt immers meestal plaats in een harder en crimineler milieu. Daarnaast hebben die activiteiten een grotere negatieve invloed op het woon- en leefklimaat dan softdrugs. Bij overtredingen van lijst I (harddrugs) behorende bij de Opiumwet is een langere sluitingstijd noodzakelijk om een einde te maken aan de overtredingen, de situatie te normaliseren en herhalingen te voorkomen Handelshoeveelheid Op grond van de Opiumwet is de productie, handel en het in bezit hebben van drugs in Nederland verboden. Het OM heeft echter in een richtlijn opgenomen dat onder bepaalde omstandigheden geen toepassing wordt gegeven aan de strafrechtelijke mogelijkheden en dus niet tot vervolging overgaat (gedogen). Voor het bepalen wanneer er sprake is van een handelsvoorraad wordt aangesloten bij het vervolgingsbeleid van het OM. Het bestuursrechtelijke en strafrechtelijke beleid zijn hierdoor met elkaar in overeenstemming. Dit betekent dat de volgende hoeveelheden als geringe hoeveelheden voor eigen gebruik worden gezien: Grens gedoogbeleid: Harddrugs (Lijst I): minder dan of gelijk aan 0,5 gram Softdrugs (Lijst II): minder dan 5 gram Hennepplanten (Lijst II): minder dan of gelijk aan 5 planten Ook zijn er richtlijnen van het OM inzake de strafvordering (= hoogte van de staf). Hierin is aangegeven op welke wijze het in bezit hebben van een bepaalde hoeveelheid drugs en/of hennepplanten wordt bestraft boven de gedoogde hoeveelheid. Hierin is o.a. opgenomen dat het bezit van tussen de 5 en 30 gram softdrugs (zijnde hennep), wordt aangemerkt als een overtreding die bestraft wordt met een geldboete. Het bezit van meer dan 30 gram softdrugs wordt aangemerkt als een handelsvoorraad en is een misdrijf. Bij het toepassen van dit Damoclesbeleid wordt aangesloten bij deze grens in die zin dat het in bezit hebben van meer dan 30 gram softdrugs wordt aangemerkt als een handelsvoorraad. Voor hennepplanten geldt dat een hoeveelheid van meer dan 5 planten wordt aangemerkt als een handelsvoorraad. Verder is van belang dat de werking van de Opiumwet zo ver reikt dat artikel 13b Opiumwet ook kan worden toegepast als het gaat om delen van de (hennep)plant indien de hars hier niet aan onttrokken is. Dat volgt uit artikel 1, eerste lid, sub b en lijst II van bijlage 1 van de Opiumwet. Verwijtbaarheid van betrokken personen Het toepassen van een last onder bestuursdwang is erop gericht de handel in of vanuit een lokaal of (on)bewoonde woning te beëindigen of beëindigd te houden en de openbare orde in de omgeving te herstellen. In beginsel is het voor het bestuursrechtelijk optreden niet van belang of de eigenaar, exploitant/huurder, gebruiker of derde de overtreding heeft begaan. De feitelijke constatering van overtreding van de Opiumwet is voldoende om over te gaan tot handhavend optreden. Voorts speelt bijvoorbeeld de persoonlijke verwijtbaarheid van de betrokken exploitant van een illegaal verkooppunt geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot het opleggen van een bestuursrechtelijke maatregel noopt. In de bestuursrechtelijke procedure hoeven ook geen strafrechtelijke bewijsregels in acht genomen te worden. Er kan worden uitgegaan van het feitencomplex dat uit het proces-verbaal en/of uit het ‘hennepinformatiebericht’ (HIB) van de politie naar voren komt. Onderscheid woningen en lokalen Handel in drugs vanuit lokalen en (on)bewoonde woningen, dan wel in of daarbij behorende erven, is in het belang van de openbare orde en het algemeen maatschappelijk belang volstrekt ontoelaatbaar. Het is van belang dat er in dit handhavingsbeleid een onderscheid wordt gemaakt in drugshandel in (al dan niet voor het publiek toegankelijke) lokalen, gebouwen en onbewoonde- en bewoonde woningen. Zo zal de sluiting van een bewoonde woning de betrokkenen veel harder treffen dan de sluiting van bijvoorbeeld een onbewoonde woning of een café of loods. De bewoners worden immers dakloos. De wetgever heeft ervan afgezien het begrip woning in de Opiumwet te definiëren. De burgemeester verstaat in het kader van onderhavig beleid onder ‘woning’: een pand dat (of ruimte die) in de aangetroffen staat voor bewoning wordt gebruikt (woongenot) en mag worden gebruikt, inclusief bijbehorende erven. Hieronder worden bijvoorbeeld ook stacaravans, woonschepen, woonwagens, etc. verstaan. Indien er geen sprake is van een ‘woning’, wordt het pand/de ruimte beschouwd als ‘lokaal’ in de zin van dit beleid. Dit is onder andere het geval als er sprake is van schijnbewoning. Ook vallen de voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals winkels en horecabedrijven) en de niet voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals loodsen, magazijnen en andere bedrijfsruimten) in deze categorie. Uitgangspunt is sluiting Het opleggen van een last onder bestuursdwang is een herstelsanctie in de zin van artikel 5:2 lid 1 onder b van de Algemene wet bestuursrecht. Een herstelsanctie is een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van de overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding. Toepassing ervan moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Bij het toepassen van bestuursrechtelijke herstelsancties kan de burgemeester kiezen tussen een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang. Een last onder dwangsom is een herstelsanctie gericht op geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Een last onder bestuursdwang is een herstelsanctie gericht op geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Het opleggen van een last onder dwangsom is in beginsel geen geschikt middel. Onbewoonde woningen en lokalen worden bij het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs daarom gesloten. Hiermee wordt beoogd de loop naar het betreffende pand eruit te halen en de overtredingen te beëindigen en herhaling van de overtreding te voorkomen. Daarnaast wordt hiermee ook een signaal aan de buitenwereld afgegeven dat het pand niet langer als verkoop-, aflever-, teelt- of opslagruimte voor drugs kan worden gebruikt en dat de gemeente Noordoostpolder de handel in drugs stevig aanpakt. Dat is echter anders bij bewoonde woningen. Daarbij speelt het hebben van woongenot en de daaraan gerelateerde privacy een erg prominente rol en grijpt het feitelijk dakloos worden van de betrokkenen erg in in de persoonlijke levenssfeer. Of een woning in de aangetroffen staat wordt gebruikt als woonruimte blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse, zoals dat veelal wordt verwoord in het rapport van bevindingen dan wel de bestuurlijke rapportage van de politie en de Basisregistratie personen (BRP). Indien tot sluiting van een woning wordt overgegaan dan zal de gemeente geen vervangende woonruimte voor de bewoners verzorgen of hierbij behulpzaam zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel