Voor toepassing van artikel 4.1.1 Bro wordt verstaan onder;
Aanbouw en/of uitbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke en/of vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw en door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
Aan huis gebonden beroep/bedrijf:
een dienstverlenend beroep, dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
Aansluitend terrein:
terrein dat op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt;
een op de bestemmingsplankaart aangegeven begrensd bouwvlak, waarmee gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten of;
een begrensd bouwperceel, waarop een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
Ander bouwwerk:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
Ander gebouw:
gebouwen als scholen, ziekenhuizen, winkels, hotels, kantoren en andere bedrijfsgebouwen niet zijde een woongebouw, recreatiewoningen uitgesloten.
Bebouwde kom:
samenhangende bebouwing zoals vastgesteld in de plaatselijke bouwverordening.
Bebouwingsgrenzen:
de op de kaart, blijkens een daarop voorkomende verklaring, als zodanig aangegeven lijnen, welke bij het bouwen naar de wegzijde (voorgevelbouwgrens), of naar de andere zijde van het bebouwingsvlak (achtergevelbouwgrens), of zijdelings (zijgevelbouwgrens) niet mogen worden overschreden.
Bebouwingsvlak:
een door bebouwingsgrenzen op de kaart aangegeven vlak, waarbinnen ingevolge de voorschriften van het bestemmingsplan bepaalde gebouwen mogen worden gebouwd.
Bijgebouw:
een gebouw, vrijstaand dan wel aangebouwd, dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw.
Bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
Bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het bestemmingsplan bebouwing is toegestaan.
Bouwwerk geen gebouw zijde:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
Erf:
een al dan niet omheind stuk grond in ruimtelijk opzicht direct behorend bij, in functioneel opzicht ten dienste van en feitelijk opzicht direct aansluitend bij een woning of ander gebouw, dat in beginsel behoort tot de kavel(s) waarop dat gebouw is geplaatst.
(Achter)erf: het bij de woning of ander gebouw behorende perceelsgedeelte dat is gelegen achter de achtergevel (rooilijn) of het verlengde daarvan.
(Voor)erf: het bij de woning of ander gebouw behorende perceelsgedeelte dat is gelegen voor de voorgevel (rooilijn) of het verlengde daarvan.
(Zij)erf: het bij de woning of ander gebouw behorende perceelsgedeelte dat is gelegen naast de zijgevel tussen de voorgevel (rooilijn) en de achtergevel (rooilijn) en de verlengden daarvan.
Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Goothoogte:
de hoogte in meters van de horizontale snijlijn van de gevel en dakvlak, gemeten vanaf het aansluitende terrein.
Hoofdgebouw:
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of ligging als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en niet zijnde een bijgebouw.
Nokhoogte:
de hoogte in meters van het hoogste punt van een bouwwerk, gemeten vanaf het aansluitende terrein, met dien verstande dat schoorstenen, liftschachten, lichtkoepels en dergelijke aan een gebouw ondergeschikte bouwdelen voor de meting van de nokhoogte van een gebouw buiten beschouwing blijven.
Woongebouw:
een gebouw dat op grond van het vigerende bestemmingsplan rechtmatig permanent mag worden bewoond, hieronder wordt mede verstaan een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet.
Peil:
voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
voor een ander bouwwerk: de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw.
HOOFDSTUK 1:
Artikel 1:1.
Artikel 1:1.
Onderdeel van Beleidskader, toepassing ontheffing, artikel 3.23 Wro