18.1
De regeling wordt opgeheven wanneer de colleges van tenminste drie/vierde van het aantal deelnemende gemeenten daartoe besluiten.
18.2
De opheffing treedt in werking op de eerste dag na die van bekendmaking in de Staatscourant door het daartoe bevoegde gemeentebestuur, tenzij het besluit een latere datum aangeeft.
18.3
In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van een of meer bepalingen van de regeling worden afgeweken.
18.4
Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de raden van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld; het liquidatieplan wordt ter kennisneming toegestuurd aan Gedeputeerde Staten.
18.5
Het definitieve afwikkelingsvoorstel voor de liquidatie en de bijbehorende vereffening naar de deelnemers (inclusief accountantsverklaring) wordt door het algemeen bestuur op voordracht van het dagelijks bestuur vastgesteld.
18.6
Zo nodig blijven de organen van het openbaar lichaam ook na het tijdstip van de opheffing in functie, totdat de liquidatie is beëindigd.
Paragraaf Opheffing
Artikel 18