Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 1. › Paragraaf 5:

Artikel 2.3.3.2

Speelautomaten

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Diemen 2010

In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen; speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. In hoogdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. Afdeling 4: Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2.4.2 Plakken en kladden Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Het college kan plaatsen voor aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2. Artikel 2.4.3a Verboden voorwerpen op evenemententerreinen Het is op door het college aangewezen evenemententerreinen verboden om flesjes, blikjes, steenachtig materiaal en overige, in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid op het evenemententerrein, mogelijk gevaarlijke voorwerpen bij zich te dragen of voorhanden te hebben. Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen en geprepareerde tassen Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben; Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de bedoelde inbrekerswerktuigen, waaronder gereedschappen, voorwerpen of middelen, niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen; Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een tas die er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van diefstal uit winkels te vergemakkelijken, dan wel enig ander daartoe geprepareerd middel; Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde tas, dan wel het geprepareerde middel, niet is bestemd voor het plegen van de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d. (vervallen, zie artikel 2.4.17, vierde lid.) Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d. (vervallen) Artikel 2.4.6a Slapen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg of het openbaar water een stilstaand voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden; Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen;. Het verbod geldt niet voor een woonschip als bedoeld in artikel 1.1, onder h. dan wel in de begripsomschrijving van een geldend bestemmingsplan. Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Het is verboden: op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.4.8 Hinderlijk gebruik van drank en softdrugs Het is verboden op of aan de weg, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen en of softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten alcoholhoudende drank te nuttigen of bij zich te hebben in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke. In dit artikel wordt verstaan onder softdrugs: de middelen, bedoeld in lijst II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet, het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel 2.4.8a Openlijk gebruik en handel Het is verboden, op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw, vaartuig of voertuig harddrugs te gebruiken of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen open- lijk voorhanden te hebben. Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw. Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel 2.4.10a Gebiedsontzegging De burgemeester kan degene die, hetzij alleen, hetzij in groepsverband, de openbareorde ernstig verstoort door het plegen van strafbare feiten, of anderszins personen lastig valt of schade toebrengt uit het oogpunt van openbare orde het bevel geven zich te verwijderen en zich verwijderd te houden van of uit een door de burgemeester bij bevel gegeven plaats of gebied gedurende de tijd bij het bevel genoemd. 2.Het is verboden zich in het gebied te bevinden in strijd met een krachtens het eerste lid gegeven bevel. Het in het eerste lid bedoelde bevel geldt niet voor zover de persoon tot wie het bevel is gericht: a. in het gebied blijkens opgave in het persoonsregister van de gemeente woonachtig is, of b. aannemelijk maakt dat hij op de plaats of in het gebied werkzaam is, of c. anderszins aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend belang heeft zich in dat gebied op te houden. De burgemeester bepaalt de plaats of het gebied waarvoor een gebiedsontzegging bij bevel opgelegd kan worden. Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen en bromfietsen/scooters Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets/scooter te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of die portiek; daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 2.4.11a Vastmaken van fietsen e.d. Het is verboden fietsen, bromfietsen/scooters, aanhangwagens, kruiwagens en andere dergelijke kleine voertuigen, op of aan de weg vast te maken aan bomen, boombeschermers, straatkolken en rioolputten of aan lantaarnpalen, draden, zuilen of andere inrichtingen of installaties, bestemd voor de openbare dienst. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets/scooter op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen tijden zich met een fiets of bromfiets/scooter te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2.4.12a Overlast van fiets of bromfiets/scooter Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen/scooters onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. Het is verboden fietsen of bromfietsen/scooters die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren en waarmee rijtechnisch en uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet kan worden gereden, op de weg te laten staan. Artikel 2.4.13 Bespieden van personen (vervallen) Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur (vervallen) Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren (vervallen) Artikel 2.4.16 Alarminstallaties (vervallen) Artikel 2.4.17 Loslopende honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. Het college kan plaatsen aanwijzen waarvoor het gestelde in het eerste lid, aanhef en onder a niet geldt. Het verbod geldt niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. a. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden zich met zijn hond te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden, behoudens de ingevolge lid 2 en artikel 2.4.18, lid 2, aangewezen plaatsen. Het college kan ontheffing verlenen van het onder a. bedoelde verbod Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden 1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een andere door het college aangewezen plaats. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a niet geldt. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel 2.4.18a Verontreiniging door andere dieren Het college kan wegen, weggedeelten en plaatsen aanwijzen waar de eigenaar of houder van een bij die aanwijzing nader te bepalen dier, niet zijnde een hond, verplicht is ervoor te zorgen dat het dier zich niet van uitwerpselen ontdoet. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van het dier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting. De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet voor de eigenaar of houder van een politiepaard. Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf : een vlechtwerk om de bek van een hond, vervaardigd van stevigkunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, dat door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn; kort aanlijnen : aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemetenvan hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben,of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hengestelde regels, of c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 2.4.21 Wilde dieren (vervallen) Artikel 2.4.22 Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2.4.23 Duiven (vervallen). Artikel 2.4.23a Voeren van duiven, eenden, zwanen Het is in door het college aangewezen openbare plaatsen en weggedeelten verboden wilde duiven, eenden en zwanen te voeren. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 2.4.24 Bijen (vervallen) Afdeling 5: Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen (vervallen) Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister (vervallen) Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (vervallen) Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (vervallen) Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijven (verplaatst naar paragraaf 1: Toezicht op horecabedrijven, artikel 2.3.1.7. Afdeling 6: Vuurwerk Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerktijdens de verkoopdagen Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 7: Drugsoverlast

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel