In dit artikel wordt verstaan onder:
Wet: de Wet op de kansspelen;
speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
a, van de Wet;
kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
onder c, van de Wet;
hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
artikel 30, onder d, van de
Wet;
laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
artikel 30, onder e, van de Wet.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten
toegestaan, waarvan maximaal twee
kansspelautomaten.
In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in
het geheel niet zijn toegestaan.
Afdeling 4: Maatregelen tegen overlast en
baldadigheid
Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of
lokaal
Het is verboden een krachtens artikel 174a van
de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor
publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning
of dat lokaal behorend erf te betreden.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de
Opiumwet gesloten woning, een niet voor het
publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of
dat lokaal behorend erf, een voor het publiek
toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf
te betreden.
Deze verboden gelden niet voor personen wier
aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens
dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2.4.2 Plakken en kladden
Het is verboden de weg of dat gedeelte van een
onroerende zaak dat vanaf de weg
zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming
van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte
van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar
is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding
of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken,
op andere wijze aan te brengen of te doen
aanbrengen;
met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof
enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te
brengen of te doen aanbrengen.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet
van toepassing indien gehandeld wordt krachtens
wettelijk voorschrift.
Het college kan plaatsen voor aanplakborden
aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen
en bekendmakingen.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde
aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van
handelsreclame.
Het college kan nadere regels stellen voor het
aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen,
die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van
de meningsuitingen en bekendmakingen.
De houder van de in het tweede lid bedoelde
schriftelijke toestemming is verplicht die aan een
opsporingsambtenaar op diens eerste vordering
terstond ter inzage af te geven.
Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap
e.d.
Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de
weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te
hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk,
teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.
Dit verbod is niet van toepassing, indien de
genoemde materialen of gereedschappen niet zijn
gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als
verboden in artikel 2.4.2.
Artikel 2.4.3a Verboden voorwerpen op
evenemententerreinen
Het is op door het college aangewezen
evenemententerreinen verboden om flesjes, blikjes,
steenachtig materiaal en overige, in het kader van de
handhaving van de openbare orde en veiligheid op het
evenemententerrein, mogelijk gevaarlijke voorwerpen bij
zich te dragen of voorhanden te hebben.
Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen en
geprepareerde tassen
Het is verboden op een openbare plaats
inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te
hebben;
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet
van toepassing indien de bedoelde
inbrekerswerktuigen, waaronder gereedschappen,
voorwerpen of middelen, niet zijn gebruikt of niet
zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde
handelingen;
Het is verboden op de weg in de nabijheid van
winkels te vervoeren of bij zich te hebben een tas
die er kennelijk toe is uitgerust om het plegen
van diefstal uit winkels te vergemakkelijken, dan
wel enig ander daartoe geprepareerd middel;
Het in het derde lid gestelde verbod is niet van
toepassing indien redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat de in dat lid bedoelde tas, dan wel
het geprepareerde middel, niet is bestemd voor het
plegen van de in dat lid bedoelde
handelingen.
Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d.
(vervallen, zie artikel 2.4.17, vierde lid.)
Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d.
(vervallen)
Artikel 2.4.6a Slapen op of aan de weg
1.Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of
op of aan de weg of het
openbaar water een stilstaand voertuig, vaartuig,
woonwagen, tent of ander
onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te
overnachten of daartoe gelegenheid te bieden;
Het college kan van dit verbod ontheffing
verlenen;.
Het verbod geldt niet voor een woonschip als
bedoeld in artikel 1.1, onder h. dan wel
in de begripsomschrijving van een geldend
bestemmingsplan.
Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op openbare
plaatsen
Het is verboden:
op een openbare plaats te klimmen of zich te
bevinden op een beeld, monument, overkapping,
constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig,
hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair
en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op een openbare plaats zodanig op te houden
dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg
gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt
veroorzaakt.
Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht
of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.4.8 Hinderlijk gebruik van drank en
softdrugs
Het is verboden op of aan de weg, op het
openbaar water of in een voor publiek toegankelijk
gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen en of
softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te
hebben als dit gepaard gaat met gedrag dat de
openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat
aantast of anderszins overlast veroorzaakt.
Het is verboden op door het college aangewezen
wegen of weggedeelten alcoholhoudende drank te
nuttigen of bij zich te hebben in aangebroken
flessen, blikjes en dergelijke.
In dit artikel wordt verstaan onder softdrugs:
de middelen, bedoeld in lijst II, onderdeel b,
behorende bij de Opiumwet,
het bepaalde in het tweede lid geldt niet
voor:
een terras dat behoort bij een horecabedrijf,
als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en
Horecawet;
de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als
bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt
krachtens artikel 35 van de Drank- en
Horecawet.
Artikel 2.4.8a Openlijk gebruik en
handel
Het is verboden, op of aan de weg of in een voor publiek
toegankelijk gebouw, vaartuig of
voertuig harddrugs te gebruiken of ten behoeve van dat
gebruik voorwerpen of stoffen open-
lijk voorhanden te hebben.
Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in
gebouwen
Het is verboden:
zich zonder redelijk doel in een portiek of
poort op te houden;
zonder redelijk doel in, op of tegen een
raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten
of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers
van flatgebouwen, appartementsgebouwen en
soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die
voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
zonder redelijk doel te bevinden in een voor
gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n
gebouw.
Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek
toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor
anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor
het publiek toegankelijk portaal, telefooncel,
wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel,
parkeergarage, rijwielstalling of een andere
soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan
wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander
doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is
bestemd.
Artikel 2.4.10a Gebiedsontzegging
De burgemeester kan degene die, hetzij alleen, hetzij in
groepsverband, de openbareorde ernstig verstoort door
het plegen van strafbare feiten, of anderszins personen
lastig valt of schade toebrengt uit het oogpunt van
openbare orde het bevel geven zich te verwijderen en
zich verwijderd te houden van of uit een door de
burgemeester bij bevel gegeven plaats of gebied
gedurende de tijd bij het bevel genoemd.
2.Het is verboden zich in het gebied te bevinden in strijd met
een krachtens het eerste lid
gegeven bevel.
Het in het eerste lid bedoelde bevel geldt niet voor
zover de persoon tot wie het bevel is gericht:
a. in het gebied blijkens opgave in het persoonsregister
van de gemeente woonachtig is, of
b. aannemelijk maakt dat hij op de plaats of in het
gebied werkzaam is, of
c. anderszins aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend
belang heeft zich in dat gebied op te houden.
De burgemeester bepaalt de plaats of het gebied waarvoor
een gebiedsontzegging bij bevel opgelegd kan
worden.
Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen en
bromfietsen/scooters
Het is verboden op of aan de weg een fiets of een
bromfiets/scooter te plaatsen of te laten
staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel
van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
indien:
dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde
wil van de gebruiker van dat gebouw of die
portiek;
daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2.4.11a Vastmaken van fietsen
e.d.
Het is verboden fietsen, bromfietsen/scooters,
aanhangwagens, kruiwagens en andere dergelijke
kleine voertuigen, op of aan de weg vast te maken
aan bomen, boombeschermers, straatkolken en
rioolputten of aan lantaarnpalen, draden, zuilen
of andere inrichtingen of installaties, bestemd
voor de openbare dienst.
Het college kan van het in het eerste lid
gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of
bromfiets/scooter op markt en kermisterrein
e.d.
Het is verboden op de door het college of de
burgemeester aangewezen tijden zich met een fiets of
bromfiets/scooter te bevinden op een door het college of
de burgemeester aangewezen terrein waar een markt,
kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan
de bezoekers van het terrein.
Artikel 2.4.12a Overlast van fiets of
bromfiets/scooter
Het college kan op de weg gelegen plaatsen
aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk
aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van
schade aan de openbare gezondheid, verboden is
fietsen of bromfietsen/scooters onbeheerd buiten
de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
staan.
Het is verboden fietsen of bromfietsen/scooters
die rijtechnisch in onvoldoende staat van
onderhoud en in een verwaarloosde toestand
verkeren en waarmee rijtechnisch en uit een
oogpunt van verkeersveiligheid niet kan worden
gereden, op de weg te laten staan.
Artikel 2.4.13 Bespieden van
personen
(vervallen)
Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur
(vervallen)
Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren
(vervallen)
Artikel 2.4.16 Alarminstallaties
(vervallen)
Artikel 2.4.17 Loslopende honden
Het is de eigenaar of houder van een hond
verboden die hond te laten verblijven of te laten
lopen:
binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die
hond aangelijnd is;
op een voor het publiek toegankelijke en
kennelijk als zodanig ingerichte
kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een
andere door het college aangewezen plaats;
op de weg zonder voorzien te zijn van een
halsband of een ander identificatiemerk dat de
eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
Het college kan plaatsen aanwijzen waarvoor het
gestelde in het eerste lid, aanhef en onder a niet
geldt.
Het verbod geldt niet voorzover de eigenaar of
houder van een hond zich vanwege zijn handicap
door een geleidehond laat begeleiden en de hond
als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of
indien een eigenaar of houder van een hond deze
aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
geleidehond.
a. Het is de eigenaar of houder van een hond
verboden zich met zijn hond te
bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud
zijnde parken,
wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of
grasperken, buiten de daarin
gelegen wegen of paden, behoudens de ingevolge
lid 2 en artikel 2.4.18, lid 2,
aangewezen plaatsen.
Het college kan ontheffing verlenen van het
onder a. bedoelde verbod
Artikel 2.4.18 Verontreiniging door
honden
1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor
te zorgen dat die hond zich
niet van uitwerpselen ontdoet:
op een gedeelte van de weg dat bestemd is of
mede bestemd voor het verkeer van
voetgangers;
op een voor het publiek toegankelijke en
kennelijk als zodanig ingerichte
kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;
op een andere door het college aangewezen
plaats.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het
verbod genoemd in het eerste lid, onder a niet
geldt.
De strafbaarheid wegens overtreding van het in
het eerste lid gestelde gebod wordt
opgeheven indien de eigenaar of houder van de
hond er zorg voor draagt dat de
uitwerpselen onmiddellijk worden
verwijderd.
Artikel 2.4.18a Verontreiniging door andere
dieren
Het college kan wegen, weggedeelten en plaatsen
aanwijzen waar de eigenaar of houder van een bij
die aanwijzing nader te bepalen dier, niet zijnde
een hond, verplicht is ervoor te zorgen dat het
dier zich niet van uitwerpselen ontdoet.
De strafbaarheid wegens overtreding van het in
het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven
indien de eigenaar of houder van het dier er zorg
voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
worden verwijderd.
Het college kan ontheffing verlenen van de in
het eerste lid gestelde verplichting.
De in het eerste lid gestelde verplichting geldt
niet voor de eigenaar of houder van een
politiepaard.
Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden
Het is de eigenaar of houder van een hond
verboden die hond te laten verblijven of te laten
lopen op of aan de weg of op het terrein van een
ander:
anders dan kort aangelijnd nadat het college aan
de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat
het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een
aanlijngebod in verband met het gedrag van die
hond noodzakelijk vindt;
anders dan kort aangelijnd en voorzien van een
muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de
houder heeft bekendgemaakt dat het die hond
gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en
muilkorfgebod in verband met het gedrag van die
hond noodzakelijk vindt.
In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder
c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid
bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een
optisch leesbaar, niet- verwijderbaar
identificatiekenmerk in het oor of de
buikwand.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
muilkorf : een vlechtwerk om de bek van een
hond, vervaardigd van stevigkunststof, of van
stevig leer of van beide stoffen, dat door middel
van een stevige leren riem rond de hals zodanig is
aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de
mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht
dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de
afgesloten ruimte binnen de korf
een geringe opening van de bek toelaat en dat
geen scherpe delen binnen de korf aanwezig
zijn;
kort aanlijnen : aanlijnen van een hond met een
lijn met een lengte, gemetenvan hand tot halsband,
die niet langer is dan 1,50 meter.
Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of
schadelijke dieren
Het college kan buiten een inrichting in de zin
van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar
het ter voorkoming of opheffing van overlast of
schade aan de openbare gezondheid verboden is
daarbij aangeduide dieren:
aanwezig te hebben,of
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming
van de door hengestelde regels, of
c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
aanwijzing is
aangegeven.
Het is verboden op een krachtens het eerste lid
aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren
aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben
anders dan met inachtneming van de door het
college gestelde regels, dan wel aanwezig te
hebben in een groter aantal dan door het college
is aangegeven.
Het college kan de rechthebbende op een
onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het
eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente
ontheffing verlenen van het in het tweede lid
gestelde verbod.
Artikel 2.4.21 Wilde dieren
(vervallen)
Artikel 2.4.22 Loslopend vee
De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een
weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is
afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen
getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
bereiken.
Artikel 2.4.23 Duiven
(vervallen).
Artikel 2.4.23a Voeren van duiven, eenden,
zwanen
Het is in door het college aangewezen openbare
plaatsen en weggedeelten verboden wilde duiven,
eenden en zwanen te voeren.
Het college kan ontheffing verlenen van het in
het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 2.4.24 Bijen
(vervallen)
Afdeling 5: Bepalingen ter bestrijding van heling
van goederen
Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen
(vervallen)
Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het
verkoopregister
(vervallen)
Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel
437, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht
(vervallen)
Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop
verkregen goederen
(vervallen)
Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijven
(verplaatst naar paragraaf 1: Toezicht op
horecabedrijven, artikel 2.3.1.7.
Afdeling 6: Vuurwerk
Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder
consumentenvuurwerk:
Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari
2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot
consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit)
van toepassing is.
Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van
consumentenvuurwerktijdens de
verkoopdagen
Het is verboden in de uitoefening van een
bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter
beschikking te stellen dan wel voor het ter
beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een
vergunning van het college van de gemeente waar
het bedrijf is of zal worden gevestigd.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan
worden geweigerd in het belang van de openbare
orde en in het belang van het voorkomen of
beperken van overlast.
Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk
tijdens de jaarwisseling
Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen
op een door het college in het belang van de
voorkoming van gevaar, schade of overlast
aangewezen plaats.
Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de
weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te
bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan
veroorzaken.
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden
gelden niet voorzover in het daarin geregelde
onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef
en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 7: Drugsoverlast
Hoofdstuk 2 › Afdeling 1. › Paragraaf 5:
Artikel 2.3.3.2
Speelautomaten
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Diemen 2010
Verwijzingen
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 429
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 424
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- artikel 437
- artikel 13b van de Opiumwet
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 174a van de Gemeentewet
- artikel 1