**1..** De betrokkene die voor het woon-werkverkeer aantoonbaar gebruik maakt van het openbaar vervoer heeft op declaratiebasis voor zijn woon-werkverkeer aanspraak op een openbaar vervoervergoeding.
**2..** De aanspraak als bedoeld in het eerste lid, is afhankelijk van de werkelijk gemaakte kosten van het openbaar vervoer goedkoopste klasse, van het woonadres en van de plaats van tewerkstelling van de betrokkene.
**3..** Indien de betrokkene niet langer voor zijn woon-werkverkeer gebruik maakt van het openbaar vervoer, vervalt de openbaar vervoervergoeding met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin het gebruik van openbaar vervoer stopt.