Naar hoofdinhoud
•. 1. Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijging- of vervaardigingprijs. •. 2. De verkrijgingprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. •. 3. De vervaardigingprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd. •. 4.Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd. •. 5. Immateriële vaste activa worden in principe zo snel mogelijk afgeschreven met een maximum van vijf jaar (ex artikel 64:6 Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten). •. 6.Op de materiële vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in artikel 35 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. •. 8. In de toelichting op de balans stelt de raad conform art. 62 lid 2 BBV jaarlijks het actuele afschrijvings- en activeringsbeleid vast. De uitgangspunten in dit genoemde artikel worden hierin verder uitgewerkt en de te hanteren afschrijvingstermijnen maken daar ook onderdeel van uit. •. 7. Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk nut verplicht. Hierbij geldt het criterium dat de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten worden afgestemd op de verwachte gebruiksduur.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel