**1..** Het college kent een individuele voorziening toe indien en voor zover in het gesprek zoals bedoeld in artikel 3.9 vastgesteld is dat:
een individuele voorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag;
de jeugdige op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden;
een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag;
de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag te beantwoorden.
**2..** Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere uitwerking van de algemene criteria zoals genoemd in het eerste lid of ter bepaling van specifieke criteria voor bepaalde individuele voorzieningen.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 3.10
Criteria individuele voorzieningen
Onderdeel van Verordening op de zorg voor de Jeugd Amsterdam