Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 3.12

Aanvullende criteria persoonsgebonden budget

Onderdeel van Verordening op de zorg voor de Jeugd Amsterdam

1.. Het college kent in aanvulling op artikel 3.10 een persoonsgebonden budget toe als in het gesprek zoals bedoeld in artikel 3.9 en op basis van de aanvraag zoals bedoeld in artikel 3.5, is vastgesteld dat: de jeugdige of zijn ouders op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake en op eigen kracht dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, voldoende is gemotiveerd dat een individuele voorziening in natura niet passend en toereikend wordt geacht; gewaarborgd is dat de voorziening die met het persoonsgebonden budget betaald wordt, van goede kwaliteit is. 2.. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren: indien aan de jeugdige of zijn ouders in de afgelopen drie jaren, voorafgaand aan de datum van het gesprek, een persoonsgebonden budget is verleend en waarbij door de jeugdige of zijn ouders niet is voldaan aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget; voor zover dit is bedoeld voor begeleidings- of administratiekosten in verband met het persoonsgebonden budget. 3.. Het college kent een persoonsgebonden budget voor niet professionele ondersteuning vanuit het sociale netwerk alleen toe: voor zorg zoals genoemd in artikel 3.1 tweede lid onderdeel b tot en met d; als de persoon die deze niet professionele zorg verleent voldoet aan de minimale kwaliteitscriteria die gesteld kunnen worden aan de betreffende ondersteuning; als de ondersteuning aan de jeugdige of zijn ouders niet leidt tot overbelasting bij de persoon die deze niet professionele zorg verleent. 4.. Het persoonsgebonden budget bedraagt maximaal de kosten van de individuele voorziening in natura. 5.. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening uit het sociale netwerk, wordt berekend aan de hand van een door het college vast te stellen uurtarief voor informele zorg. 6.. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de criteria als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid en de wijze van het vaststellen van de hoogte van het budget als bedoeld in het vierde en vijfde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel