Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 3.4

Algemeen

Onderdeel van Verordening op de zorg voor de Jeugd Amsterdam

1.. Het college kent een individuele voorziening toe door middel van een besluit, met een bepaalde geldigheidsduur, dat toegang geeft tot een of meerdere zorgcategorieën. 2.. Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van het onderzoek naar de hulpvraag van de jeugdige en zijn ouders in het gesprek bedoeld in artikel 3.9 en - wanneer het gaat om een persoonsgebonden budget - op grond van de aanvraag bedoeld in artikel 3.5. 3.. Het college kan het gesprek bedoeld in artikel 3.9 achterwege laten, indien voldoende duidelijk is welke individuele voorziening aangewezen is op basis van: de verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts conform artikel 2.6 eerste lid 1 onder g van de wet of op basis van het intakegesprek van de aldus betrokken zorgaanbieder, de gesprekken of het onderzoek van Veilig Thuis of de interventieteams genoemd in artikel 2.5. de verwijzing van de basisschool naar de dyslexiebehandelaar conform het protocol dyslexie; de verwijzing vanuit het multidisciplinair overleg in het speciaal onderwijs en praktijk onderwijs naar onderwijszorgarrangementen. 4.. De zorgaanbieder van een individuele voorziening start de behandeling of hulp slechts nadat het besluit bedoeld in het eerste lid genomen is. 5.. In situaties waar onmiddellijke uitvoering geboden is, kan afgeweken worden van het gestelde in het vierde lid. Het besluit dient echter ook in die gevallen zo snel mogelijk, en uiterlijk binnen zes weken, na de start van de hulp verkregen te worden. 6.. Het college stelt bij nadere regels de zorgcategorieën en de geldigheidsduur van het besluit, zoals bedoeld in het eerste lid, vast.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel