Naar hoofdinhoud
1.. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht bestaat uit: de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens de Amsterdamse Richtlijn voor Verkennend Onderzoek 2011, zoals vastgesteld door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam, bestaande uit een vooronderzoek en een verkennend onderzoek. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003, dan wel NEN 5897, uitgave 2005. 2.. Indien het veldonderzoek in het kader van het verkennend bodemonderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het veldonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel 2.7, derde lid, van de Regeling omgevingsrecht is in dit geval van toepassing op het tijdstip van indienen van het bodemonderzoeksrapport waarin de uitkomsten van het onderzoek zijn beschreven. Het vooronderzoek dient reeds bij de aanvraag te zijn ingediend. 3.. Het bepalen of sprake is van een redelijk vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 6.2c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de omstandigheid als bedoeld in het tweede lid (bodemonderzoek na sloop), vindt plaats op basis van het vooronderzoek, alsmede eventueel reeds bekende bodemonderzoeksgegevens en de Bodemkwaliteitskaart. 4.. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. 5.. Het bevoegd gezag kan het afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan, indien voldaan wordt aan de criteria genoemd in paragraaf 4.6 van de Nota bodembeheer Gemeente Amsterdam, vastgesteld op 4 april 2012, onder het kopje ‘Ontheffing bodemonderzoeksplicht in het kader van de Woningwet / Bouwverordening'. 6.. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, indien bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 7.. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het vooronderzoek blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onder a, niet rechtvaardigen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel