**1..** Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels en de bepalingen in de wet besluit het college, dan wel het dagelijks bestuur, tot weigering dan wel beëindiging van de schuldhulpverlening indien:
de noodzaak voor schuldhulpverlening niet (langer) aanwezig wordt geacht;
de verzoeker niet of in onvoldoende mate de verplichtingen nakomt zoals bedoeld in artikel 4;
de gestelde doelen zijn gerealiseerd;
de verzoeker zijn beschikbare aflossingscapaciteit niet gebruikt voor de aflossing van schulden;
op grond van later gebleken onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan de verzoeker is toegekend, en een andere beslissing zou zijn genomen als deze gegevens ten tijde van de besluitvorming bij het college, dan wel het dagelijks bestuur, bekend waren geweest;
de verzoeker zich misdraagt jegens personen die werkzaam zijn bij de uitvoerende instellingen voor schuldhulpverlening. Onder misdraging wordt in elk geval verstaan: verbaal geweld, discriminatie, lichamelijk geweld of dreiging met lichamelijk geweld, gijzelneming, huis- of lokaalvredebreuk met geweld en dreiging met geweld;
de geboden schuldhulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, niet (langer) passend is;
de verzoeker niet langer te beschouwen is als inwoner.
**2..** Alvorens te besluiten tot weigering dan wel beëindiging van schuldhulpverlening, wordt de verzoeker een redelijke hersteltermijn geboden om alsnog, binnen de gestelde termijn, de gevraagde medewerking te verlenen of informatie te verstrekken.
Hoofdstuk
Artikel 5.
Weigerings- en beëindiginggronden
Onderdeel van Beleidsregels Schuldhulpverlening Amsterdam