Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II.

Artikel 3.

Langdurig laag inkomen

Onderdeel van Verordening langdurigheidstoeslag Noordoostpolder

1.. Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig laag inkomen is voldaan als gedurende de referteperiode het gemiddelde inkomen per maand niet uitkomt boven de bijstandsnorm en het vermogen niet hoger is dan het bedrag genoemd in artikel 34, lid 3 van de wet. 2.. De belanghebbende die gedurende de referteperiode inkomsten heeft die meer bedragen dan de geldende bijstandsnorm heeft recht op een langdurigheidstoeslag als de inkomsten in de referteperiode niet meer bedragen dan de bijstandsnorm verhoogd met zes maal de maximale vrijlating van inkomsten als genoemd in artikel 31 lid 2o van de wet. 3.. Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die gedurende de referteperiode een bijdrage heeft ontvangen op grond van de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS), danwel de Wet Studiefinanciering (WSF 2000). 4.. Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die gedurende de referteperiode in detentie heeft gezeten, tenzij het gaat om één of meerdere korte detentieperiodes van in totaal maximaal 28 dagen in een periode van 36 maanden. 5.. Bij de vaststelling van het inkomen wordt een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag buiten beschouwing gelaten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel