Naar hoofdinhoud
1.. Het college stelt jaarlijks subsidieplafonds vast voor: de activiteiten als bedoeld in artikel 4, lid 1 en 2 van deze subsidieregeling (plafond 1); de activiteiten als bedoeld in artikel 4, lid 3 van deze subsidieregeling (plafond 2); de activiteiten als bedoeld in artikel 4, lid 4 en 5 van deze subsidieregeling (plafond 3). 2.. Indien het totaalbedrag van de te verlenen aanvragen hoger is dan het desbetreffende subsidieplafond wordt subsidie verleend op basis van, en in volgorde van de ranglijst, zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel. 3.. De aanvragen worden, binnen de afzonderlijke subsidieplafonds, gewogen ten opzichte van elkaar, waarbij de volgende criteria in volgorde van belang zijn: het aantal deelnemers en vrijwilligers dat wordt bereikt; de verhouding tussen het bedrag dat direct ten goede komt aan de activiteiten en het bedrag dat besteed wordt aan overhead (huisvesting, organisatiekosten en dergelijke); inzet van eigen middelen of middelen van derden; de mate waarin samenwerking plaatsvindt of allianties gevormd worden met andere partijen; de mate waarin de activiteiten kosteneffectief zijn, waarbij wordt gekeken naar de verhouding tussen het gevraagde subsidiebedrag en de prestaties; de mate waarin de aanvrager kan aantonen dat de activiteiten aansluiten bij de behoefte van degenen voor wie de activiteiten bedoeld zijn; de mate waarin innovatie een integraal onderdeel uitmaakt van de aanvraag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel