Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 5

Draagkracht

Onderdeel van Beleidsregel individuele bijzondere bijstand Kerkrade 2016

1.. De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere kosten zich voordoen en heeft de duur van een jaar. 2.. De draagkracht voor de individuele bijzondere bijstand bedraagt 110 procent van de op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 23 van de Participatiewet. 3.. Ten aanzien van de alleenstaande ouder wordt het kindgebonden budget niet in aanmerking genomen bij de draagkrachtbepaling. 4.. Het in het derde lid genoemde percentage is inclusief vakantietoeslag. 5.. Ten aanzien van de in het vijfde lid bedoelde vakantietoeslag wordt in beginsel een vast percentage aangehouden van 5% van het netto inkomen. 6.. Alle inkomen boven het in derde lid genoemde percentage, wordt volledig meegerekend als draagkracht. 7.. Bij de vaststelling van het inkomen worden de inkomensbestanddelen die bij de verlening van algemene bijstand niet tot de middelen worden gerekend, ook niet tot het inkomen gerekend bij de bijzondere bijstand. 8.. Het vermogen boven de voor belanghebbende geldende vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 Participatiewet wordt gezien als draagkracht. 9.. Indien een aanvrager toegelaten is tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of als er sprake is van een minnelijk schuldhulptraject, geldt dat het college enkel de draagkracht kan berekenen over middelen waarover de belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel