Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2

Artikel 19

Spreekrecht burgers

Onderdeel van Verordening op de Opinieraden

1. Burgers kunnen in een vergadering het woord voeren (spreekrecht) over onderwerpen die geagendeerd zijn voorafgaande aan de behandeling van het betreffende agendapunt. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit binnen een redelijke termijn voor de aanvang van de vergadering aan de griffier. Daarbij wordt melding gemaakt van de naam van de inspreker en het onderwerp waarover het woord gevoerd wenst te worden. 2. Burgers kunnen het woord voeren over onderwerpen die niet geagendeerd zijn. Dit gebeurt tijdens het agendapunt ‘vragenronde’. Degene die van dit spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten minste 24 uur voor aanvang van de vergadering aan de griffier. Daarbij wordt melding gemaakt van de naam van de inspreker, het onderwerp waarover het woord gevoerd wenst te worden, een korte toelichting en vragen die gesteld wensen te worden. 3. Voor alle insprekers geldt een maximale inspreektijd van 5 minuten. 4. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, als dit in het belang is van de orde van de vergadering. De voorzitter kan de deelnemers aan de vergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering. 5. De opinieraad adviseert de gemeenteraad over de wijze waarop inspraak zoals bedoeld in het tweede lid wordt behandeld. Mondelinge inspraakreacties worden behandeld als een ingekomen stuk zoals bedoeld in artikel 1, onder i.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel