Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk V:

Artikel 30

– Jaarrekening

Onderdeel van Gemeenschappelijke Regeling Werkzaak Rivierenland

1.. Tot de grondslag van het financiële beheer van het openbaar lichaam strekt een jaarlijkse jaarrekening, die telkens uiterlijk 1 juli van het jaar, volgend op het kalenderjaar waar zij voor geldt, door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. De rekening moet zijn vergezeld van een verslag van het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de jaarrekening ingesteld door de overeenkomstig art. 213 van de Gemeentewet aangewezen deskundigen en van hetgeen het dagelijks bestuur voor zijn verantwoordingstaak verder dienstig acht. 2.. Het dagelijks bestuur zendt de voorlopige jaarrekening voor 15 april, en minimaal 8 weken voordat deze ter vaststelling aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe aan de raden van de deelnemers. Deze raden worden in de gelegenheid gesteld bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de voorlopige jaarrekening naar voren te brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de voorlopige jaarrekening, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 3.. Het dagelijks bestuur biedt de voorlopige jaarrekening over het afgelopen kalenderjaar, met alle bijbehorende bescheiden en de zienswijzen van de raden van de deelnemers, jaarlijks vóór 1 juli ter vaststelling aan het algemeen bestuur aan. 4.. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening en stelt haar vast. 5.. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening met bijbehorende accountantsverklaring binnen twee weken na vaststelling, doch in iedere geval voor 15 juli van het jaar volgend op het kalenderjaar waar zij voor geldt, aan Gedeputeerde Staten door. 6.. Vaststelling van de jaarrekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. 7.. Terstond na de vaststelling zendt het algemeen bestuur de jaarrekening en bijbehorende accountantsverklaring ter kennisname aan de raden van de deelnemers. 8.. Een batig of nadelig saldo op de specifieke uitkeringen met een specifieke bestedingsverplichting zal worden toegevoegd of onttrokken aan een daarvoor gecreëerde reserve/voorziening. Het overige batige of nadelige saldo zal aan de gemeenten worden uitgekeerd of in rekening worden gebracht, conform de verdeelsleutels, zoals bepaald in artikel 31. 9.. Het vrije vermogen (weerstandsvermogen) van het openbaar lichaam zal een bedrag gelijk aan 3% van de jaarlijkse exploitatielasten niet te boven gaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel