1. Het college kan al dan niet op verzoek van een belanghebbende, indien de feiten en omstandigheden gewijzigd zijn, de aanwijzing als beeldbepalend pand intrekken.
2. Artikel 16a, tweede lid, en artikel 16c, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het aanwijzingsbesluit.
3. Indien een beeldbepalend pand geheel of nagenoeg geheel teniet is gegaan of indien het pand wordt ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6, eerste lid of artikel 7 van de Monumentenwet 1988 respectievelijk het register als bedoeld in artikel 8, eerste lid van deze verordening, dan is de aanwijzing als bedoeld in artikel 16a, eerste lid, van rechtswege vervallen.