De toepassing van de inkomstenvrijlatingen zoals bedoeld in deze beleidsregel is geen automatisme. Dit vergt altijd een individuele beoordeling en beslissing. Kortom maatwerk. Om die reden wordt deze alleen op schriftelijk verzoek van de belanghebbende bij beschikking toegekend. Het verzoek van de belanghebbende moet ingediend worden voorafgaand aan de aanvang van arbeid of urenuitbreiding als de arbeid al werd verricht op het tijdstip waarop men in de bijstand/uitkering kwam. Indien er een trajectplan is waarin sprake is van het toewerken naar uitstroom, wordt het trajectplan beschouwd als een voorafgaand verzoek van de belanghebbende. M.a.w. het recht op vrijlating wordt niet met terugwerkende kracht toegekend. De beoordeling of toepassing van de vrijlating in het individuele geval van belanghebbende wel of niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling moet immers op het moment waarop de arbeid of urenuitbreiding aanvangt worden genomen en niet pas op een veel later tijdstip of zelfs achteraf. Met verwijzing naar het bepaalde in artikel 19, eerste en tweede lid Pw, respectievelijk artikel 5 IOAW-IOAZ, wordt de inkomstenvrijlating in een maand alleen toegepast als de totale inkomsten zonder toepassing van de vrijlating lager zijn dan de toepasselijke (kostendelers)bijstandsnorm of IOAW-IOAZ-uitkeringsnorm. Met andere woorden: er moet sprake zijn van recht op algemene bijstand of IOAW-IOAZ-uitkering. Ingevolge artikel 31 lid 5 Pw heeft een belanghebbende jonger dan 27 jaar géén recht op een vrijlating van inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder n (=reguliere vrijlating gedurende max. zes maanden) en r (=vrijlating voor alleenstaande ouders gedurende max. 30 maanden). Als aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, heeft de belanghebbende jonger dan 27 jaar die medisch urenbeperkt is, wel recht op de vrijlating van inkomsten uit arbeid als bedoeld in art. 31 lid 2 onder y Pw. De leeftijdsbegrenzing tot de pensioengerechtigde leeftijd is ingegeven door het feit dat de verstrekking van (aanvullende) algemene periodieke bijstand aan mensen die pensioengerechtigd zijn geen gemeentelijke/Werkplein taak is, maar een taak van de Sociale Verzekeringsbank (betreft z.g. Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (Aio)). Bovendien hebben pensioengerechtigde mensen recht op een AOW-uitkering. Daarmee is voor hen een andersoortig minimuminkomen gegarandeerd. De hier bedoelde vrijlating van inkomen uit arbeid wordt daarom voor hen niet geacht bij te dragen aan de arbeidsinschakeling. De Werkplein-gemeenten zijn er voorstander van om bij huwelijk of samenwoning iedere afzonderlijke partner een recht op de vrijlating van inkomsten uit arbeid te geven. In de landelijke wet- en regel-geving is echter wel bepaald dat er een maximaal vrijlatingsbedrag per maand geldt. Om die reden is in deze beleidsregel bepaald dat wanneer bij huwelijk of samenwoning beide partners in dezelfde maand inkomsten uit arbeid hebben, de totale inkomensvrijlating per maand voor beide partners tezamen wordt begrenst op het in de wet- en regelgeving vastgelegde maximale vrijlatingsbedrag per maand. In het vijfde lid is bepaald dat inkomstenvrijlatingen bedoeld in artikel 1 lid 3 onder a en b slechts éénmaal per uitkeringsperiode worden toegekend. De wetgever heeft beoogd om de vrijlating van inkomsten uit arbeid in de Pw, IOAW en IOAZ op identieke wijze te regelen. De IOAW en IOAZ bevatten, in afwijking van de Pw, een specifieke bepaling (=artikel 7) over het herleven van het recht op uitkering als dat (eerdere) recht door werkaanvaarding van de werkloze werknemer/gewezen zelfstandige, of de echtgenoot, is geëindigd, en vervolgens opnieuw werkloosheid ontstaat. Om een nieuw recht op bijv. IOAW op te bouwen moet men zolang gewerkt hebben dat men voldoet aan de referte-eis voor de (basis)W.W.-uitkering (=26 kalenderweken werk binnen tijdvak van 36 kalenderweken) en de z.g. verlengde W.W.-uitkering. Men heeft recht op een langere WW-uitkering als u ook aan de jareneis voldoet. De jareneis houdt in dat men in de 5 kalenderjaren voordat men werkloos werd, in tenminste 4 kalenderjaren voldoende heeft gewerkt. Om te voorkomen dat het onderscheid in wetgeving voor de toepassing van de vrijlating van inkomen uit arbeid toch tot een ongewenste afwijkende toepassing leidt, wordt geopteerd voor een onderbrekingsperiode van minimaal 24 maanden (=circa 50% van de verlengde W.W.-eis). Als een uitkeringsperiode tijdelijk wordt onderbroken door verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, worden de periode vóór en ná de onderbreking als één uitkeringsperiode gezien. Het gaat hierbij om onvrijwillige onderbrekingen waarbij mag worden aangenomen dat niet aan re-integratie kon worden gewerkt. Er mag van worden uitgegaan dat de situatie ná de onder-breking over het algemeen ongewijzigd is gebleven ten opzichte van de situatie vóór de onderbreking. In het zesde lid zijn de situaties beschreven waarin naar het oordeel van de gemeente de belang-hebbende geen of niet langer recht heeft op een vrijlating van inkomsten uit arbeid. Bij aanvang van de uitkering kan soms al sprake zijn van parttime inkomsten. Een vrijlating van inkomen uit arbeid moet mensen stimuleren om (meer) te gaan werken met als resultaat dat de bijstandsafhankelijkheid afneemt of helemaal verdwijnt. Daarom geldt de vrijlating niet voor inkomsten uit arbeid die er al zijn bij aanvang van de uitkering. Omdat voor de belanghebbende die wil starten met een zelfstandig bedrijf of beroep er een specifieke landelijke regeling geldt in de vorm van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) is in deze beleidsregel expliciet bepaald dat die belanghebbende geen aanspraak kan maken op de vrijlating van inkomen uit arbeid. Uitzondering wordt gemaakt voor werkzaamheden uit zelfstandig bedrijf of beroep van bescheiden omvang waar ook het Bbz niet op van toepassing is. Voor een belanghebbende met een hele grote afstand tot de arbeidsmarkt kan de directe inzet van de Bbz-startersregeling een “brug te ver” zijn. In zo’n situatie kan het in een individueel geval noodzakelijk worden geacht om eerst een “tussenstap” in te lassen in de vorm van het verrichten van werkzaam-heden uit zelfstandig bedrijf of beroep van bescheiden omvang. Uiteraard moet zo’n tussenstap naar het oordeel van het college wel bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende.
Artikel 2